Notarieel Repertorium Hardenberg, inv. nr. 1951, akte 34

Op heden den 19 april eenduisend agthonderd en twaalf, compareerde voor ons Griffier van het Vredegerecht des kantons Hardenbergh in het tweede arrondissement van het departement van de Monden van den IJssel, als daartoe bij Keiserlijk decreet gemagtigd en de getuigen hieronder benoemd, den persoonen hieronder benoemd, dewelken verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben tusschen Jan Koers, jongman als bruidegom ter eenre – en Hendrikje Willems of nu Vrijlinks, jongedogter als bruid ter andere zijde, zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven.

Eerstelijk is geconditioneerd dat aanstonds aan bruidegom en bruid in desen, in vollen eigendom overgaan zal de gerechte halfscheid van den geheelen boedel en goederen van des bruids wijlen vader Asse Teunis of Vrijlinks en nog in leven zijnde moeder Hermina Willems, met de helft der schulden en lasten van dien, om dus dien boedel en goederen gedurende het leven van gemelde des bruids moeder met deselve tezamen in eene huishoudinge te administreren en te regeeren.

Zullende voort na het overlijden van dezelve des bruids moeder, de andere gerechte halfscheid van gemelde boedel en goederen, met de andere helft der schulden en lasten van dien, mede aan bruidegom en bruid en bij vooroverlijden op de langstlevende van beide in vollen eigendom vererft en vervallen zijn, zullende nochtans de bruids voorzeide moeder, gedurende haar leven lang, uit gemelden boedel voor haar particulier gebruik genieten een summa van twaalf guldens ’s jaarlijks.

Terwijl al verder, bruidegom en bruid in dezen, verpligt en gehouden zijn zullen, zoo als dezelven onder verband van alle de hierbij acquirerene goederen aannemen en beloven om aan des bruids eenen meerderjarigen zuster met naamen Aaltjen Willems (of Vrijlinks) en nog minderjarige zuster Zwaantje Willems (of Vrijlinks), voor en in voldoening derselver respective erfportien in de nalatenschappen van haren wijlen vader Asse Teunissen of Vrijlink en nog in leven zijnde moeder Hermina Willems of Vrijlink, te zullen uitkeren en betalen aan ieder derzelven een summa van tweehonderd en vijftig guldens die aan haar zullen worden uitgekeerd wanneer zij komen te trouwen of meerderjarig zijn zullen; terwijl dezelve des bruids zusters daarenboven bij haar trouwen genieten zullen ieder een behoorlijken bruids uitzet, bestaande: in twee bedden en vier kussens bestopt met vijfendertig pond veeren, waarbij een peuluwe en een paar beddegordijnen; zes vlassene lakens en een tafellaken; vier stoelen met kussens; een eikene kaste of vijfentwintig guldens in stede van dien; voorts behoorlijke bruids klederen, eenen vrouwen zonhoed, een regenkleed, een mutze met een kante en een witte halsdoek; een damaste rok of tien guldens in stede van dien en een spinnewiel; zullende daarenboven nog de gemelde des bruids zusters zo lange die ongetrouwd zijn zullen eenen vrijen intrek in haar ouderlijke huis hebben en behouden, en aldaar bij ziekte en onpasselijkheden behoorlijke verhandreiking genieten, tot derzelver herstellinge toe; doch die van haar als dan aldaar mogte komen te overlijden, zo zal het hierboven aan deselve bewesen aan de bruidegom en bruid of des huis beste verblijven.

En eindelijks is geconditioneerd dat tussschen deze beide echtgenooten gemeenschap van goederen zal plaats hebben en stand grijpen. Welk voorenstaande alzo geconditioneerd zijnde, willen bruidegom en bruid, des bruidegoms ouders, des bruids moeder, meerderjarige zuster, den toeziende voogd oer de minderjarige Zwaantjen Willems of Vrijlinks, en voorts den geheelen familieraad dat al hetzelve alzo in allen deele stiptelijk zal worden nagekomen en achtervolgd, al waren ook alle solemniteiten van rechten daarbij niet geobserveerd. Ten oirkonde hebbe ik griffier voornoemd en getuigen die waren E. Bruins en Jan Waerssen, dezen benevens de comparanten eigenhandig getekend op dato als boven.