Notarieel Repertorium Hardenberg, inv. nr. 1951, akte 5

Op heden den 5den april 1800 en elf, compareerde voor mij VredeRechter des kantons Hardenbergh, tweede arrondissement van het departement der Monden van den IJssel, Jan Derksz., meederjarig jongman, woonende bij zijne moeder op ’t erve Herms op Sibculo, zijnde de zoon van wijlen Derk Jansen en Aaltjen Janssen (gedoopt blijkens extract uit het doopboek der gereformeerde gemeente te Heemse op den 12 van Sprokkelmaand 1786), voor en na den jaare 1786 gewoond hebbende te Rheeze onder de Heemser gemeente; te kennende gevende, en verzoekende door dezen eerbiedigst, zijnde nog in leven zijnde moeder Aaltjen Janssen, mede alhier in judicio (behoorlijk geadsisteerd) praesent, om derzelver toestemming tot het voorgenomene huwelijk van hem comparant met Adolphina Koers, laatst weduwe van Engbert Bramer op ’t Vriesenveen woonachtigh; en welke toestemming hij, van de voorzeide zijne moeders tederheid verlangd: met betuiging, dat hij zich dezelve immer zal trachten waardig te maken, door aan dezelve al den eerbied en verknochtheid te bewijzen, die eenen rechtschapenen zoon aan zijne moeder (aan wien hij zijn leven en bestaan te danken heeft) verschuldigd is!

Waarop gecompareerd is de voorzeide Aaltjen Janssen, onder adsistentie van Marten Bruins als haaren in dezen geadmitteerden mombaar; verklaarende op het door gemelde haaren zoon Jan Derksz. aan haar gedaane verzoek, haare volkomene toestemminge daar toe te verleenen en mede te geven door dezen; en over zulks te mogen lijden, dat denzelven zich, met de opgemelde Adolphina Koers, laatst weduwe Bramer, in den echten staat begeve; waartoe zij dezelven ’s Hemels besten zegen toewenscht.

Heemse, op datum ut supra.
In fidem, J.G. Pruim, Vrede-Rechter.