Toen, op 17 juli…

Dit proces-verbaal van verrichten en bevindingen is geschreven door de veldmaarschalk hertog van Brunswijk Wolfenbutel tijdens zijn inspectie van de frontieren (grenzen) in 1754:

Vertrek van Coeverden naar Hardenberg. Te Coeverden dus alles opgenomen en geëxamineerd hebbende, verreisde ik van daarop woensdag den 17 juli 1754 naar den Hardenberg ’s morgens ten elf uuren, en heb toen gelegenheid gehad te zien waar de kleine Vecht in de groote Vecht valt bij een huis de Haandrik genaamd. Vervolgens ben ik bij het huis te Gramsbergen, Asewijn genaamd, over de groote Vecht gegaan. Die rivier was toen zo hoog dat men er met de pont over kan, daar men er anders bij Asewijn met rijtuigen door kan. ’s Avonds ben ik op den Hardenberg gekoomen, vindende aldaar de heeren gecommitteerden der provincie van Overijssel, de baron van Coeverden tot Rhande en de burgemeester van Marle, dewelken mij zijn koomen verwelkomen.

Donderdag den 18 juli ben ik ’s morgens naar het boerschap Lotten, een uur van den Hardenberg gelegen, gereden; daar ik van het rijtuig in ’t moeras afgestapt ben; ik kwam tot aan den buitensten Leidijk die bij het fort de Lichtmis begint, loopende naar Hulst, voorbij Nieuwleusen, een half uur van het stedeken Ommen, Lutten, Holthoen en Scheer tot Coeverden. Langs dien leijdijk ter rechter en ter linkerzijde van Lotten tot Holthoen was het moeras met boekweit bezaaid; en heb ik hier zowel als elders ondervonden dat het moeras geduurig varieert, vermits men er op de eene plaats meer en op de andere minder inzakt. Ik zond den directeur Vonck om de situatie van het moeras tot aan den binnensten Leidijk op te neemen, terwijl ik den buitensten Leidijk vervolgde tot omtrent Holthoen, daar ik er van afging bij een weg, die door het veen van Holthoen af tot aan den leidijk is gelegd om te gemakkelijken de boekweit te kunnen inzamelen, en die de boekweitlanden tusschen Holthoen en Ane van elkander scheidt.

Van Lotten af tot bij Holthoen is de Leidijk noch vrij goed; ’t geen daar vandaan koomt dat die van Scheer, Holthoen, Ane, Lotten, Coldoorn dezelve veel tot eene passage gebruiken, langs welke zij het moeras kunnen gaan bebouwen, en den oogst inzamelen, ontlastende zich het water voor het grootste gedeelte door de slooten langs dien dijk in de Lutterbeek. Vervolgens ben ik bij eene oude redout gekomen, voor heenen door de Munsterschen gelegd, wanneer zij Coeverden door het leggen van een dijk en het stoppen van de rivier de Vecht boven Gramsbergen, waardoor het water reeds tot over de brug aldaar liep, wilden noodzaken tot de overgave; doch welke fortres zij, vermits het doorsteeken van de dijken, moesten verlaaten. En eindelijk retourneerde ik van daar met het rijtuig langs den gemeenen weg van Coeverden op den Hardenberg. De directeur Vonck rapporteerde mij dat het van den buitensten tot den binnensten Leidijk overal met boekweit bezaaid was, en dat de leidijk daaromtrent in dezelfde situatie was als daar ik ze gezien had.

Vrijdag den 19 juli ging ik naar den Blankenhemert, zijnde een landhuis toebehoorende aan den colonel onder Orange Vriesland Sytsama, drie quartier uurs van den Hardenberg. Daar had ik in ’t moeras, passeerende over de Lutterbeek door middel van planken, die ik mede had doen nemen, vermits het water toen zeer hoog was. Mijne intentie was om tot aan den Braamberg te gaan, daar de binnenste leidijk langs plagt te loopen, maar omdat ik eenigzins geïncommodeerd was, en het moeras zo slecht, en door de geduurige regens zo vol water, heb ik mijn oogmerk niet kunnen bereiken, zo dat ik door het moeras over Lotten terug ben gegaan, noch wel een goed half uur gaans van den Braamberg af zijnde. De generaal-majoor Cornabé met den directeur Vonck en den cap. de la Broue zijn tot daar gekomen, en rapporteerden mij bij haare terugkomst dat hoe verder zij in ’t moeras kwamen, hoe erger het was, en dat de binnenste leidijk voor dien berg heen ging. Van Lotten dwars door het moeras tot aan den Braamberg is eene distantie van bij de twee uuren.

Ik ben van Lotten met een rijtuig naar den Hardenberg terug gekeerd en er ten vier uuren ’s middags gekoomen. Het gantsche terrein daaromtrent is beboekweit of beboekweit geweest, of daar worden schaapen op geweid. De landlieden hebben mij gezegd dat men zeer dikwijls in den zomer van den Hardenberg met rijtuigen over den Blankenhemert door het Lutterveen naar Drenterland ging. Wanneer men op die wijze van den Hardenberg naar Drente wil, en bij het Muldershuis uit het moeras koomt, van daar direct op Zuidwolde gaande, laat men de Ommerschans drie quartier uurs aan de linkerhand liggen. Bij mijn aanwezen op den Hardenberg was die weg onbruikbaar voor rijtuigen, omdat het zo lange slecht weer was geweest, maar niet voor voetgangers, want ik er eene meenigte hannekemeijers, die door Hasselt, uit Holland, over den Hardenberg naar huis keerden, heb zien overkoomen. Na den eeten ben ik nog geweest naar de Veenbrugge, omtrent een uur boven den Hardenberg, het terrein aldaar beziende, benevens eene oude redout, welke vervallen is, en op de passage of grooten weg uit het Bentheimsche naar den Hardenberg ligt. Voordat ik mij van den Hardenberg naar de Ommerschans begaf, bezag ik noch de situatie omtrent de eerstgem. plaatse en vertrok vervolgens van daar naar de voorseide schans. Eerstelijk om het frontier van de provintie van Overijssel, het landschap Drenthe en Westwoldingerland aan die kant, zo veel doenlijk voor een vijand te beveiligen, zijn alle de leijdijken in den jaare 1687 en 88 gelegt geworden, van Hasselt langs de Ommerschans, Coevorden, ’t Klooster ter Apel en de Bourtange, tot boven de Langakker-schans, tot het inundeeren der moerassen, om dezelve drassig te houden. En ten dien einde den 5. julij 1694 door Haar Hoog Mog. een scherp placaat daarover geemaneert, om te beletten het aftappen der wateren van de moerassen, en daarom verboden het doorsteeken, doorgraaven, verbranden van voorn. leijdijken, dammen, watervallen en schuttingen, die gemaakt zijn geweest, waaruit dan klaarlijk consteert, dat geene landen tot boekwijt bekwaam gemaakt konde worden, ten zij het tegengestelde van het bovengen. placcaat geschiede. Ten anderen. Omdat het placcaat, hetgeene zedert den jaare 1694 van tijd tot tijd niet is gerenoveerd geworden, als in den jaare 1753. Zo is daar uit voortgevloeit dat de opgezetenen van tijd tot tijd ook hebben de dijken doorgestooken en verbrand, de dammen en waterstouwinge geruineerd, en dus de moerassen zo veel doenlijk drooggemaakt, en omdat zij daar van voordeel zouden genieten, hebben zij verders van tijd tot tijd beginnen boekwijt-akkers aan te leggen; sommige van drie, vier of vijf roeden breed en diep, de eene min of meer, waardoor zij voorheen tot hier toe het water meer uit de moerassen hebben afgetapt, en dus de akkers zijn bekwaam gemaakt, om dezelve te konnen omhakken, droog zijnde, de nerf te verbranden, en aldus vrugtbaar te maaken, om het zaad daar in te werpen, ’t welk zij vijf a zes jaaren agter den anderen konnen doen, waar door het moeras zeer diep word ingebrand en vermindert, zelfs op sommige plaatsen daar het niet diep en legd, tot op het zant toe, en na verloop van 16 of 18 jaaren, wederom bekwaam zijn om als te voren bebouwt te worden, waardoor het moeras te meer vermindert, en dezelve dus uitgebouwt zijnde, dan na verloop van weinige jaaren zodanig consolideeren dat ten eenemeaal passabel zijn, ’t geen bij deeze visitatie op meer dan eene plaats is gebleeken en ondervonden; door welke behandeling dit frontier zeer verzwakt is, waarin voorzien behoorde te worden met het beletten van het verdere boekwijten en turfgraaven boven de leijdijken, en de moerassen te laaten in haare natuurlijke gesteldheid, zoals die voorheen geweest zijn, als wanneer dezelve ten laatsten dan wederom zich zullen opgeeven, en met bulten, laagten en heidebossen bewassen, en niet alleen door de ongelijkheid de passagie bezwaarlijk maaken, maar daarenboven zal het water ’s winters daar in vallende, in het voorjaar dan zijne beletzelen van de natuurlijke ongelijkheid, geen zo schielijker aftrek vinden, en dezelve drassiger en langer week houden, en niet anders als in drooge zomers door de lugt zeer langzaam uitdroogen, omdat als met heijde bewassen zal zijn, de lugt die groote kragt niet meer en heeft..

Volg ons ook op https://www.facebook.com/historischeprojectenhardenberg/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.