’t Snijders of de Sniederi-je

 

Alsof het is gebouwd om toezicht te houden. Zo is de Sniederije neergezet in het zuidelijkste puntje van Radewijk. Vanuit de hoogte kijkt het neer op de lager gelegen delen van Radewijk. De markante woning heeft een statige uitstraling. De Sniederije is niet meer onder die naam bekend in Radewijk. Toch heeft het enkele eeuwen lang generaties Snijders gehuisvest. Tegenwoordig is het geadresseerd aan de Wellebeekweg nummer 1. 

De boerderij De Sniederije ligt op de helling van wat bodemdeskundigen een stuwwal noemen. Miljoenen jaren geleden, in de laatste ijstijd – zo luidt de theorie – hebben gletsjers vanuit Scandinavië grote hoeveelheden materiaal voor zich uit geschoven en verpulverd. Die stuwwal is dan het eindpunt van zo’n gletsjerbaan, waardoor zich in de bodem allerlei soorten zand, grint, keileem en een enorme hoeveelheid stenen van allerlei grootte bevinden. Men is hier letterlijk steen-rijk. De stuwwal zet zich over de grens in hoogte voort en heet daar de Kniepenbergen. Het hoogste punt is 46 meter boven Nieuw Amsterdams Peil. De Sniederije ligt op 20 meter boven N.A.P. en is daarmee een van de hoogste punten in de gemeente Hardenberg. Volgens landmeters bij de ruilverkaveling indertijd, ligt de dichtstbijzijnde Nederlandse boerderij 6.70 meter lager dan de Sniederije.

In de jaren twintig vond Albertus Iemhoff twee urnen achter het eikenbos bij de boerderij. Ze werden destijds enkele eeuwen voor Christus gedateerd. Blijkbaar hebben zich hier bij de Wellebeek aan de voet van de bergen al eeuwenlang mensen opgehouden. Voor het maken van urnen hadden ze keileem beschikbaar. Van dat keileem dat hier vroeger in grote hoeveelheden voorkwam is praktisch niets meer over. Het werd gebruikt in de boerderijen, bijvoorbeeld voor het verharden van de deel. In 1850 werd het gebruikt voor het verharden van de weg van Uelsen naar Hardenberg, de zogenaamde kunstweg.

De vraag wanneer het erve Snijders werd gesticht, is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. In 1543 wordt in een akte melding gemaakt van ene Hermen to Wylen die op dat moment aan de andere zijde van de Welle woonde, in het huidige Duits Wielen. Getuigen Hermen Bertss (Broekgeerts), Henrick Berntss, Geerdt Henrickss en Johan Henrickss verklaarden dat ze nog wel wisten dat genoemde Hermen to Wylen vroeger aan deze zijde van de Welle woonde. Wellicht bedoelden ze daarmee de Sniederije. 

Op dertig autustus 1690 werd een verhoor, interrogatoria, gehouden voor burgemeester Jan van Borne, Berent Hendrix, Lubbert Ymhoff, Jan Stubben en Jan Berends, aangaande het zogenaamde Stubbenveen. In de akte die daarvan is opgemaakt, blijkt dat laatstgenoemde Jan Berends ook wel de Snijder werd genoemd. Schout Thomas Huete heeft de akte opgesteld, die nog altijd bewaard gebleven is in het huisarchief van het erve Stubben. Daarmee is het een zeer waardevol document geworden.

Jan Berends Snijders moet rond 1660 geboren zijn. We hebben de naam van zijn echtgenote niet kunnen achterhalen. Wel weten we dat hij drie kinderen heeft gehad: Swaantje, Jan en Derk. Dochter Swaantje volgde haar ouders op als eigenaresse van de Sniederije. Als in 1702 de paalboeren (grensboeren) van Balderhaar een conflict hebben over weiderechten met de boeren van de marke Brucht, beroepen zij zich merkwaardigerwijs op de weiderechten die het klooster Sibculo reeds eeuwen geleden bezat. Dat klooster had toen in Striepe, Balderhaar en Wielen zogenaamde uythoven. Dat waren boerderijen die werden geëxploiteerd door monniken, met de daarbij behorende heide- en weiderechten. De boeren uit Balderhaar doen dan een beroep op hun collega’s in Striepe en Wielen om voor hen te getuigen. In Wielen zijn dat Jonkhans, Roelofs, Tiebert en Ymhoff. In die akte wordt Snijders niet genoemd en maakt dus in 1702 blijkbaar geen deel uit van de erven in Wielen.

Swaantje Jans Snijders ging op 28 februari 1717 te Hardenberg in ondertrouw met Hendrik Berents uit ’t Lambertshuis op de Balderhaar. De bruidegom vestigde zich op de ouderlijke boerderij van zijn vrouw. Ze kregen er vijf kinderen: Jan (1718), Berend (1719), Judith (1722), Geertjen (1724) en Swaane (1728). De oudste zoon, Jan Snijders, volgde zijn ouders op als boer op de Sniederije. Hij trouwde in 1745 met Hadewigh Gerrits Bolks uit Heemse. Van dit huwelijk zijn de huwelijksvoorwaarden bewaard gebleven in het oud-rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenbergh. Ze zijn geschreven door schout Arnold Voltelen. In de akte staat dat de ouders van de bruidegom haar gehele boedel en al haar goederen, zowel in Salland als in de Graafschap Bentheim gelegen, overdroegen aan het jonge bruidspaar. In ruil voor het verkrijgen van de boedel moest het bruidspaar beloven om de ouders van de bruidegom de tijd van hun leven te onderhouden en verplegen in kost en kleren. Wanneer we ons realiseren dat er nog geen oudedagsvoorziening bestond, is het duidelijk dat dit soort ‘pensioenregelingen’ heel gebruikelijk waren in die tijd. De ouders behielden voor hun particulier zakgeld de opkomsten van een mud zaailand, gelegen midden op de Camp over de Welle, alsook een twintigtal schapen en een-derde van de bijenkorven. Verder verplichtte het bruidspaar zich om aan de broers en zusters van de bruidegom ter voldoening van hun ouderlijke erfportie een bedrag van ƒ. 150,- uit te keren.

Jan en Hadewigh kregen acht kinderen: Swaantjen (ca. 1746), Hendrik (ca. 1747), Gerrit (1749), Fennegje (1753), Gerrit (1755), Jan (1757), Egbert (1761) en Janna (1764). Op 22 februari 1746 nam Jan Hendriks Snijders samen met Goossen Stubben de diaconie-werkzaamheden aan voor de kerk van Hardenberg. Wederom was het ’t oudste kind dat de boedelhouder werd. Dochter Swaantjen werd boerin op de Sniederije. Zij huwde op 20 oktober 1782 met Jan Poes alias Westerman uit Lutten. Bij het opmaken van de huwelijksvoorwaarden werd Swaantjen geassisteerd door burgemeester Gerrit Gerrits Hofsink. Schout Jacobus van Riemsdijk legde de voorwaarden vast. Er werd bepaald dat:

de gemeenschap van wederzijdsch aan te brengene en aan te ervene goederen voor altijd zal zijn uitgesloten en blijven, inzonderheid van de meubilaire goederen en huisraad welke de toekomende ehelieden zullen aanbrengen, waarvan eene schriftelijke annotatie zal worden gemaakt en ten beiden zijden van man en vrouw ondertekend. Edoch, dat winst en verlies staande huwelijk te vallen, half om half deelbaar zijn zal; zoo nochtans, dat onder de winst niet anders dan `t geene uit hunne dagelijksche handteeringe ofte handelingen voortvloeid, zal begrepen worden; noch onder het verlies zal worden gerekend, de schade welke veroorzaakt zoude mogen worden, door eenige actien, verbintenissen of contracten, voor dato des huwelijks gemaakt; wegens welke de een van de toekomende ehelieden voor den anderen niet mede zal aansprakelijk wezen, neen maar alle schade op die maniere veroorzaakt tot privative lasten van die geene dit conthoralen voor of tegen wier dezelve zouden mogen dienen, en zijne erfgenamen zijn en blijven.

Jan en Swaantjen kregen vijf kinderen: Hermen (1783), Jan (1784), Hendrikjen (1785), Jennigjen (1788) en Hendrik (1790). Jan Poes alias Westerman woonde sinds zijn trouwen met Swaantje op de Sniederije. Vandaar dat hij in 1811, toen door Napoleon Bonaparte werd bepaald dat iedere Nederlander voortaan een vaste achternaam moest dragen, de naam Snijders aannam als familienaam voor zichzelf en voor zijn kinderen. Door Maire Antoni van Riemsdijk werd de akte van naamsaanneming geheel in het Frans opgesteld:

Par devant nous Maire de la Commune d’Hardenbergh, Canton Hardenbergh, Arrondissement de Deventer, Département des Bouches de l’Issel, s’est presenté, Jan Westerman, domicilié à Radewijk, dans cette Commune, lequel a declaré qu’il a adopté le Nom de Snijders pour Nom de Famille et pour Prénom conservé celui de Jan; qu’il a 2 Fils et 1 Fille et a signé avec Nous, le trentième Décembre mille huit cent et onze.

Het erve Snijders stond vanaf 1811 bekend als huisnummer 1 in Radewijk. Hermen Snijders, de oudste zoon van Jan Poes en Swaantje Snijders, werd boedelhouder en volgde daardoor zijn ouders op als eigenaar van de Sniederije. Hij trouwde in 1815 met Hermpjen Nijhuis uit Diffelen. Ze kregen slechts twee kinderen waarvan de eerste, een zoontje, maar een jaar oud werd. Hun tweede kind was ook een zoon, genaamd Gerrit Jan. Hij werd op 10 augustus 1817 geboren te Radewijk. 

Grootouders Jan en Zwaantje Snijders lieten een jaar later hun testament opmaken door notaris Antoni van Riemsdijk. In tegenwoordigheid van noaber Gerrit Reerink, woonachtig op ’t erfje Wolleponds in Wielen en politieagent Ernst Hamelman, werd verklaard dat het testament werd opgemaakt ter voorkoming van eventuele geschillen tussen hun kinderen na het overlijden van de beide testateurs. In het Koninkrijk der Nederlanden bezat men allereerst een huis, schuur, grond en whaardeel, alsmede de daartoe behorende gaarden en het whaarrecht in de gezamenlijke marke van Hardenbergh en Baalder, staande en gelegen te Radewijk no. 1. Verder bezat men verschillende stukken land als Den Kamp, Het Nijë, Den Appelhof, Het Huttenmaatjen, Het Koeland en De Trippenweide. Al deze goederen lagen in de provincie Overijssel en behoorden tot de buurtschap Radewijk. Aan de andere kant van de grens had men ook nog enkele eigendommen, als Den PolkampDen Nijenkamp en een schapenschot. De totale waarde van deze bezittingen bedroeg ƒ. 2.277,50. De Trippenweide lag ten zuidwesten van de Welle. In het grenstraktaat van 1824 staat als volgt omschreven: en eindelijk door eenen kamp, de Trippenweide genaamd, op eenen hoofdsteen (nr. 110) geplaatst op omstreeks 3,8 ellen of 1,0 roede afstand van den voet des grooten beukenbooms, digt aan de heg van de voornoemde Trippenweide, alwaar den wel nabij het huis van den Hannoverschen bouwman Welleweert te Wielen ontspringt. Op de kadastrale kaart van 1832, staat de eeuwenoude beuk aangegeven. Het had een enorme kroon en was zó dik dat enkele mensen nodig waren om die boom te omvatten. In de jaren dertig van de vorige eeuw is de beuk helaas ‘gesneuveld’. Bepaald werd dat het genoemde bezit geheel zou overgaan in handen van hun oudste zoon Hermen Snijders en diens echtgenote Hermpjen Nijhuis, die bij hen inwoonden. Wel moesten de erfgenamen het wettelijk erfdeel uitkeren aan de andere kinderen van Jan en Swaantje Snijders (aktenr. 188, scan 32).

Notaris Antoni van Riemsdijk verleed op 9 april 1825 een akte op verzoek van Egbert Snijders, zonder speciaal beroep, wonende te Radewijk ten woonhuize no. 1 van zijn neef Herm Snijders. Egbert liet die dag zijn testament vastleggen. Hij legateerde 25 gulden aan zijn zus Zwaantjen Snijders, weduwe van Jan Poes, wonende te Radewijk. Verder legateerde hij eenzelfde bedrag aan zijn neef Hendrik Snijders, zoon van zus Zwaantjen Snijders en Jan Poes, landbouwer wonende te Brucht. Zus Janna Snijders, weduwe van Jan Hendrik Leussink te stad Hardenberg, zou ook 25 gulden krijgen. Verder werden nog legaten geschonken aan een neef en nicht en aan de armenstaat der hervormde kerkgemeente van Hardenberg. Hij benoemde zijn neef Herm Snijders en echtgenote Hermpjen Nijhuis tot universeel erfgenamen (aktenr. 470, scan 180).

Op de oudste kadastrale kaart, anno 1832, wordt ’t erve Snijders geregistreerd onder sectie D nummer 196 ten name van Hermen Snijders op legger 330.

 

Fragment van oorspronkelijk minuutplan, anno 1832.

 

Enigst kind Gerrit Jan Snijders trouwde in zijn leven drie maal. Zijn eerste vrouw was Zwaantjen Timmerman uit Rheeze. Het huwelijk werd gesloten op 28 mei 1846 te Heemse. Uit dit huwelijk werd in 1849 een zoon Harmen geboren. Zes dagen na de geboorte van haar kind overleed Zwaantjen Snijders-Timmerman in het kraambed. Twee jaar later hertrouwde weduwnaar Gerrit Jan met een echte Radewijkse boerendochter, Geesjen Broekgeerts. Uit dit huwelijk zijn helaas geen kinderen voortgekomen. Om de boerderij te kunnen runnen had het echtpaar Snijders een groot aantal knechten en meiden ter beschikking. Uit het bevolkingsregister blijkt dat onder andere Hendrik Jan Esschendal als boerenknecht, Albert Dijk als schaapherder, Jennigjen Alberts, Aaltjen Rerink, Hendrika Heersmink en Grietjen Willering als dienstmeiden hun kost verdienden op de Sniederije.

In de zomer van 1851 schreef landbouwer Harm Snijders een brief aan de Commissaris des Konings in Overijssel. Hij liet weten dat de grenzen van Nederland en Hannover door zijn hooiland gingen. In dat hooiland, net op de grenslijn, ontspringt een bron of welle, die de oorsprong is van de zogenaamde Wellebeek. Deze beek vormt tot aan zijn val in de Radewijkerbeek de grenslijn tussen beide koninkrijken. Jaarlijks werd de grens bezichtigd door afgevaardigden van de gemeenten Ambt Hardenberg en Uelsen. Bij de laatste bezichtiging waren door deze personen houten palen in zijn hooiland geslagen om de grenslijn aan te geven. De palen waren echter hinderlijk bij het maaien van het aldaar welig groeiende gras. Hij verzocht daarom de Commissaris er voor te willen zorgen dat de palen werden verwijderd.

Op veertigjarige leeftijd overleed Geesjen Snijders-Broekgeerts in huisnummer 11 te Radewijk, haar echtgenoot en diens zoontje Herm Snijders achterlatend. Opa Herm Snijders en oma Hermpjen Snijders-Nijhuis waren respectievelijk in 1854 en 1851 overleden, waardoor er geen ‘vrouw’ meer op de Sniederije overbleef.

In een notariële akte van 20 augustus 1855 verleende Gerrit Jan Snijders vergunning aan het Koninkrijk der Nederlanden om op zijn land palen te plaatsen ter aanduiding van de grensscheiding tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover. Wel verklaarde hij uitdrukkelijk dat de akte als niet geschreven moest worden beschouwd zodra binnen een jaar na dato zou blijken dat hij van Majesteit den Koning der Nederlanden geen toestemming kreeg tot het bouwen van de door hem aangevraagde nieuwe bakoven.

In 1856 werd door de burgemeester van Ambt Hardenberg in een brief aan de Commissaris van de Koning duidelijk gemaakt dat ondanks dat de Wellebeek de grens uitmaakt tussen Nederland en Duitsland, het gemeentebestuur er niets voor voelde om landbouwer Gerrit Jan Snijders de verplichting op te leggen de beek schoon te houden, daar het eigenlijk niet meer was dan een smal slootje met een lengte van 1580 ellen. De afwatering van de Wellebeek in de Radewijkerbeek had enkel tot klachten geleid wanneer de boeren niet genoeg water ontvingen doordat Snijders de afloop ervan tegenhield of belemmerde.

Bij de markeverdeling van 1860 kreeg Gerrit Jan Snijders ruim vijftien bunders heidegrond toegewezen, met een geschatte waarde van ƒ. 1.423,59. Op 1 november 1861 gaf Gerrit Jan zijn ja-woord aan Geesjen Kleine-Balderhaar van de Balderhaar, weduwe van Hendrik Reinders. Het dochtertje dat uit Geesjens eerste huwelijk geboren was, ging mee naar de boerderij van haar nieuwe echtgenoot. De Sniederije werd in die tijd bij de gemeente aangeduid als H nummer 15, waar wederom uit ’t bevolkingsregister blijkt dat er een grote schare mensen onderdak hadden. Jan Hendrik Jonkeren, Roelof Santman, Jan Herm Pullen, Hendrik Poortman, Hendrik Daggers en Jan Hendrik Brand waren de knechten die tussen 1860 en 1870 werkten op de Sniederije. Als dienstmeiden zien we in die tijd Grietjen Willering, Jennigje Berends en Jennigje Evers. De derde echtgenote van Gerrit Jan Snijders kreeg ook geen kinderen en overleed op 42-jarige leeftijd in 1865, waarna hij na drie huwelijken slechts een nakomeling had die de boerderij kon opvolgen.

 

Kadastrale hulpkaart, anno 1866.

 

In augustus 1868 schreef de burgemeester van Ambt Hardenberg een brief aan de Officier van Justitie in Deventer, waaruit blijkt dat de op dat moment 19-jarige Hermen Snijders een belastend briefje had geschreven over zijn stiefzusje Jennigje Reinders. Dit briefje had hij verloren en was gevonden door een jongen die verkering zocht met zijn stiefzusje. Het voorval ontaardde in ongeregeldheden op de Sniederije:

Hierbij heb ik de eer U Edelachtbare te doen geworden 2 processen verbaal, opgemaakt door de rijksveldwachters, Bodewitz, Van der Wal en Van Assendorp, inzake eenige ongeregeldheden, voorgevallen ten huize van Gerrit Jan Snijders, landbouwer te Radewijk. De oorzaak dier ongeregeldheden, alsmede van de verregaande baldadigheid welke de beklaagden zich ten nadeele van Gerrit Jan Snijders hebben veroorloofd, zoude bestaan in een op de weg gevonden briefjen, hetwelk door den zoon van Gerrit Jan Snijders zoude zijn geschreven, en eenige bijzonderheden inhouden van eene der beklaagden, die verkeering zocht met de stiefdochter van Gerrit Jan Snijders. Ook de omstandigheid dat sommige der beklaagden des avonds in de schuur van Gerrit Jan Snijders kwamen om zich daar met de vrouwelijke dienstboden van Snijders te onderhouden, en alsdan steeds een flesch Jenever bij zich hadden en die opdronken, hetgeen Snijders verboden had, schijnt als aanleidende oorzaak der ongeregeldheid aangemerkt te kunnen worden. Wenschelijk ware het naar mijne meening, dat de zaak streng vervolgd wierde. De afgezonderde ligging der boerenwoningen doet de landbouwers en hunne gezinnen, en eigendommen bloot staan aan baldadigheden, die meestal des nachts bedreven, niet kunnen bewezen worden, en dus meestal straffeloos plaats hebben en zijn eenige verwilderde boerenknechten alzoo in staat de rust van een geheel gehucht te verstoren.

Zoon Hermen Snijders trouwde in 1873 met Geesjen Stoeten uit Rheeze. Uit de huwelijkse bijlagen bleek dat hij door besluit van de militieraad van de militaire dienst was vrijgesteld daar hij de enige wettige zoon was. Het echtpaar kreeg in huisnummer I-18 vijf kinderen: Zwaantje (1874-1874), Gerrit Jan (1875), Berendina Hendrika (1876), Gerrit (1878) en Lubbigje (1881). De bewoners van de Sniederije, huisnr. I-18, bleven veel mensen in dienst houden. In de periode 1880-1890 werd er gediend door: Albert Kieft, Herm Soer, Gerrit Jan Jans, Fennigje Huisjes, Aaltje Kosters, Hermina Huisjes, Jan Wieferink, Klazina Gerdinge, Hilligje Reinders, Gezina Mulder, Gerrit Grobbe, Lambert Bouwmeester en Jennigje Schuldink.

Begin 1890 verkocht de familie Snijders de eigendommen in Radewijk en verhuisden ze naar Dedemsvaart. Hermen Snijders overleed in het Huis van Bewaring te Zwolle, alwaar hij wegens fraude 15 dagen gevangenisstraf moest uitzitten. Hij was slechts 41 jaar oud toen hij in 1891 stierf. De oude Gerrit Jan Snijders, weduwnaar van Zwaantjen Timmerman, Geesjen Broekgeerts en Geesjen Kleine-Balderhaar, overleed op 18 maart 1892 toen hij 74 jaar oud was in Dedemsvaart, waarna zijn schoondochter Geesjen Stoeten en haar kinderen verhuisden naar de boerderij van Harbers in Rheeze.

De nieuwe eigenaar van de Sniederije werd de familie Iemhoff. Op zes mei 1903 vestigde weduwe Jennigje Iemhoff-Timmerman zich met haar gezin in Radewijk. Ze was weduwe van Willem Iemhoff geboren Hesselink. Zoon Willem Iemhoff, geboren in Duits Wielen liet in 1905 de Sniederije grondig verbouwen. In 1907 trouwde hij met Berendina Kieft uit Holtheme en vestigde zich met haar op de ‘nieuwe’ boerderij. Dat huwelijk duurde helaas slechts kort, want Willem overleed in 1910 aan de gevolgen van tuberculose (vliegende tering). Na het overlijden van haar man hertrouwde Berendina in 1913 met Albertus Iemhoff. Door het uitbreken van de wereldoorlog in 1914 moest Albertus het militaire uniform aantrekken en de Belgische grens bewaken. Daar was hij getuige van de oorlogs-ellende toen duizenden Belgen op de vlucht voor de Duitsers naar Nederland kwamen. Na ruim twee jaar militaire dienst kon hij zich eindelijk met zijn boerderij gaan bezig houden. Albertus en Berendina Iemhoff kregen drie kinderen: Willemina Jennigje (1914), Gerrard Johan (1916) en Mina Johanna (1917). Albertus was er altijd op uit om verbeteringen in de traditionele bedrijfsvoering aan te brengen. Hij had uitgemeten dat de bronnen van de Wellebeek ongeveer anderhalve meter hoger lagen dan de vloer van de boerderij en dat het dus mogelijk moest zijn om via een leiding bronwater naar de boerderij te brengen; het lukte en anno 1999 functioneerde het nog altijd goed. Ook veeverbetering had de aandacht van Albertus. In 1923 wist hij met zijn koe Marie op de landbouwtentoonstelling te Hardenberg een eerste prijs te behalen als beste productie-koe van de tentoonstelling. Deze koe gaf als tien-jarige 6040 kg melk met 3,3% vet in 330 dagen. De gemiddelde jaarproductie van de koeien in Hardenberg was in die tijd bijna 3000 kg melk met 3% vet.

 

Kadastrale hulpkaart, anno 1905.

 

Het traditionele boerenbedrijf op de zandgrond was in die jaren een gemengd bedrijf met koeien, varkens, kippen, enige akkerbouw en een of meer paarden. De kippen waren gehuisvest in een kippenhok en liepen overdag vrij rond op het erf. Dat vrij rond lopen was vooral ’s zomers erg lastig omdat de kippen dan via openstaande deuren binnen probeerden te komen, daar de boel vervuilden en ook wel eens eieren legden op de zolder. Albertus wilde daarom een verplaatsbaar kippenhok laten maken om ’s zomers de kippen een eindje van huis te kunnen brengen. Buurman timmerman Ranter maakte op zijn verzoek een kippenhok op een onderstel van een oude koets. Een kip-caravan dus. Hij had er patent op moeten aanvragen! Op een mooie morgen in mei werden de kippen verhuisd en de caravan een paar honderd meter van de boerderij tegen een boswal geplaatst. Hij was de kippenlast kwijt en doordat het hok verplaatsbaar was konden de kippen ook nog grotendeels zelf de kost opscharrelen. Toch pakte het iets anders uit. ’s Avonds, toen het kippen-bedtijd was, kwam tot zijn stomme verbazing de gehele toom – de haan voorop – weer op de boerderij aanwandelen, kropen in het oude vertrouwde hok en gingen daar op stok. Hiermee maakten ze hun baas duidelijk dat een kip niet van kamperen houdt. Later bleek het met jonge hennen die nog niet eerder in het oude kippenhok waren gehuisvest, wél te functioneren.

In de twintiger jaren beijverde Albertus Iemhoff zich (met anderen) om de zandwegen verhard te krijgen. Die wegen waren vooral in de herfst en winter onbegaanbare modderwegen. Nadat de belanghebbende boeren bereid bleken financieel flink bij te willen dragen, kwam in 1928 de verharding van de Stobbenhaarweg met aftakking Wellebeekweg en Wielenweg gereed. Voor zover die wegen in Stad Hardenberg lagen, bestond de verharding uit straatklinkers; in de gemeente Ambt Hardenberg gebruikte men sintels. Verschil moest er ten slotte toch wezen.

Midden jaren twintig werd Duits Wielen aangesloten op het elektriciteitsnet. Na informatie bij het toen nog gemeentelijk elektriciteitsbedrijf in Hardenberg, of men ook van plan was in Radewijk stroom te brengen, bleek dat het een te onrendabel gebied was, dat dan ook niet voor aansluiting in aanmerking kwam. Men bleek geen bezwaar te hebben wanneer de Duitsers over de grens stroom wilden leveren. Die waren daartoe bereid. Zo kreeg de Sniederije in 1927, in plaats van brandgevaarlijke petroleumlampen, de weelde van een goede en gemakkelijke verlichting in voor- en achterhuis. Allerlei elektrische machines en apparatuur kon nu worden aangeschaft. In 1930 werd een melkmachine van Westfalia geïnstalleerd, volgens de kranten de eerste in Overijssel. Ook kocht men een Miele wasmachine (toen was er ook al geen betere!). Verder deed de radio zijn intrede. Een rechthoekig kastje van Philips met daarnaast een luidspreker in de vorm van een grote koekenpan. Het kostte in het begin nogal wat routine om het ding goed af te stemmen; het kraakte en piepte soms verschrikkelijk.

In 1927 werd op het Oudeveen de boerderij overgenomen van oom Jan Iemhoff. Deze had voordien een zetboer, Gerrit van der Veen, op de boerderij gehad. De boerderij werd met zetboer en al overgenomen door Iemheuver Albats.

In het begin van de jaren dertig deed zich een hevige economische crisis voor. Het gevolg hiervan was grote werkloosheid en in de landbouw daalden de prijzen van de producten schrikbarend. De melkprijs daalde tot enkele centen per liter. Biggen werden onverkoopbaar.

In 1933 kwam in Duitsland Adolf Hitler aan de macht, hetgeen ook hier aan de grens belangrijke gevolgen had. Vóór die tijd passeerde men de grens altijd zonder pas. De commiezen, zowel Duitse als Nederlandse, controleerden alleen personen die daarvoor in aanmerking kwamen. In 1933 werd dat allemaal pünktlicher en moest men bij grensoverschrijding geregeld de pas te voorschijn halen. In die jaren werden vlak over de grens drie dubbele commiezenhuizen gebouwd. De middelste kreeg daarbij een uitkijktoren. Deze commiezen waren bij patrouille steeds vergezeld van een hond. Tegen het eind van de jaren dertig werd langs de grens een twee meter hoge puntdraad-versperring geplaatst. `Om Duitsland tegen invallen te beschermen’, zei men daar. De werkelijke bedoeling was te voorkomen dat steeds meer mensen, vooral joden, Duitsland trachtten te ontvluchten.

In 1939 brak de oorlog uit en in Nederland werd het leger gemobiliseerd. Bij buurman Ranter werd een barak geplaatst waarin een aantal soldaten werden gehuisvest. Op de straatweg, zo’n 500 meter van de Sniederije werd een betonnen versperring geplaatst. Geregeld stond daarbij een soldaat op wacht. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Om even voor drie uur `s nachts werden de bewoners van de Sniederije wakker doordat op het erf Duitse cavalerie stond. Naast het slaapkamerraam van Gerrard Iemhoff was een stuk veldgeschut geplaatst, gericht op de Nederlandse soldatenbarak. De militairen bij Ranter werden van achteren omsingeld. Tegelijkertijd kwam een afdeling Nederlandse militairen via de Wellebeekweg naar de barak en liep zo recht in de armen van de Duitsers. Zij werden allen ontwapend en daarna over de grens afgevoerd naar Duitsland.

De eerste tijd merkte men in Wielen weinig van de oorlog. Al gauw kreeg de bevolking te maken met distributie van levensmiddelen, veevoer, kunstmest e.d. Alles kwam `op de bon’, en veroorzaakte op den duur schaarste op allerlei gebied. Er kwamen steeds meer vrijheidsbeperkende maatregelen. Iedereen moest een persoonsbewijs bij zich dragen. De radio moest ingeleverd worden. De bewoners van de Sniederije deden dat niet, het was hun enige contact dat over was met de vrije wereld. In 1942 werd men op een nacht opgeschrikt door een hevig luchtgevecht. Er werd op de deur gebonsd. Het bleek een Duitse piloot met een parachute onder zijn arm. Hij vertelde dat hij een vijandelijke bommenwerper had neergeschoten, maar dat zijn toestel ook was geraakt in het gevecht; hij had zich daardoor genoodzaakt gezien om uit het toestel te springen. Die bommenwerper bleek in Den Velde te zijn neergekomen.

Van echte oorlogshandelingen, door vallende bommen of anderszins, heeft men in Wielen geen last gehad. Toch was er vaak meer aan de hand dan zo oppervlakkig in het buurtschapsleven leek te gebeuren. In 1944 kregen Jan Haverkamp (uit Kampen) en Albertus Iemhoff opdracht om voor Duitse autoriteiten te verschijnen. Aanvankelijk werden ze zeer voorkomend ontvangen. Ze kregen er tot hun verbazing te horen dat de Duitsers van plan waren om 3 miljoen Nederlanders naar Oost-Europa te laten verhuizen. Om dat voor te bereiden zouden ze beiden als Stützpunktführer naar Polen en de Oekraïne gestuurd worden. Ze weigerden. Jan Haverkamp werd een paar dagen erna gearresteerd. Iemhoff wist zich op het nippertje aan arrestatie te onttrekken en dook onder.

Het laatste oorlogsjaar en vooral de laatste oorlogswinter ontstond er in de steden, met name in het westen, grote voedselschaarste. Daardoor ondernamen steeds meer mensen uit die gebieden grote tochten tot zelfs hier aan de grens om voedsel te bemachtigen. De beide dochters van Albertus en Berendina Iemhoff waren op het laatst geregeld bezig om die mensen zoveel mogelijk voort te helpen.

Op vier april 1945 werden de Radewijkers bevrijd en maakten ze kennis met Engelse soldaten die bereid waren geweest hun leven te wagen voor de vrijheid. Gerrard Iemhoff trouwde in september ’45 in het gemeentehuis te Emmen met Aaltje Hadders uit Zuidbarge. Ze kregen drie kinderen: Albertus Hendrik (1946), Jan Willem (1948) en Berendina Mina (1950).

Na de bevrijding kon met de wederopbouw van het land worden begonnen. Elders in het land was veel verwoest en vernietigd. Er ontstond veel verandering op allerlei gebied. In de landbouw kwam dat onder meer tot uiting in mechanisatie van de arbeid. Daarvoor was nog meer verharding van wegen nodig. In 1960/1961 werd de Oudeveenweg verhard. Die mechanisatie vereiste vooral ruilverkaveling, die in het midden van de jaren zestig bij meerderheid van stemmen tot stand kwam. Daarna werd in 1967 ook de Snoeijinksdijk verhard.

In toenemende mate werd het aantal boerenbedrijven kleiner, door allerlei oorzaken, maar vooral door de mogelijkheid voor boerenkinderen om een ander beroep te kiezen. Door de grote uitbreiding van het voortgezet onderwijs kon die grotere beroepskeuze gerealiseerd worden. Ten gevolge daarvan is vaak geen bedrijfsopvolger meer voor handen en moet het bedrijf op den duur worden opgeheven. Van de oorspronkelijk tien boerderijen in Wielen zijn er nu nog slechts twee als landbouwbedrijf over. Op de overige vindt geen beroepsmatige landbouw meer plaats. De helft ervan wordt nog bewoond door de oorspronkelijke bewoners; de rest door natuurgenieters afkomstig elders uit het land. Ook op de Sniederije vindt praktisch geen landbouwactiviteit meer plaats.

 

Zicht over de landerijen van Wielen, met links de Sniederi-je aan de grens (Fotograaf: E. Wolbink).