Havezate Venebrugge

Foto, gemaakt door ds. E.J. Loor te Heemse.
Portret van Sweder Schele toe Weleveld, erfkastelein van de Venebrugge (1569-1639).

In het rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg wordt deze akte van ‘magenscheid’ bewaard, gedateerd 26 juni 1780:
Ik Jacob van Riemsdijk, van wegens hoger overigheid verw. Scholtus van den Hardenbergh, cum annexis, doe cond en certificere hiermede dat voor mij en keurnoten, die waren Herm. Krul en Hendrikus Venebrugge, persoonlijk in den gerigte gecompareerd en erschenen zijn Hendrika Noorink, weduwe van wijlen Berend Venebrugge, benevens haare kinderen Hendrik Venebrugge, Karel Venebrugge, Anna Sophia Venebrugge en Hendrik Breman voor hem zelvs en namens zijn huisvrouw Janna Venebrugge; zijnde zij Hendrika Noorink, weduwe van wijlen Berend Venebrugge, en zij Anna Sophia Venebrugge tot het doen deser zaake geadsisteerd met haar respective broeder en oom Jan Noorink als haren versogten en toegelaten momboir; en verklaarden zij comparanten met malkanderen te hebben ingegaan en opgerigt een vriendelijk accoord en onverbrekelijke maagscheijdinge over den gehelen boedel, goederen en nalatenschap van de eerste comparante Hendrika Noorink, weduwe van wijlen Berend Venebrugge en van haar overleden eheman Berend Venebrugge voornoemd; en wel in manieren als volgd.

Dat bovengemelde Karel Venebrugge van nu aan in vollen eigendom zal hebben en genieten den voorn. gehelen boedel, goederen en nalatenschap van gemelde zijne ouders wijlen Berend Venebrugge en Hendrika Noorink, waaronder mede begrepen derselver eigendommelijke halfscheid van de Havesate Venebrugge, zijnde lheenhorig aan dese provintie van Overijssel; behoudende zij Hendrika Noorink, weduwe van Berend Venebrugge, dan nog aan haar voor de tijd hares levens de halve administratie en regeringe van den voorseiden boedel en goederen. En zo het mogte gebeuren dat denzelven Karel Venebrugge voor deselve zijne moeder mogte komen te overlijden, zal aan deselve zijne moeder boven behoorlijk onderhoud van kost en kledinge, jaarlijks uit den gemelden boedel tot zakgeld moeten worden gegeven een somma van vijftig guldens. Zullende hij Karel Venebrugge hiertegens verpligt en gehouden zijn, en neemd deselve bij desen aan, te moeten uitkeren en betalen aan gemelde zijn eene broeder en twee zusters, in voldoeninge van derselver geheele erfportie van den boedel, goederen en nalatenschap van haar overleden vader Berend Venebrugge en van haar nog in leven zijnde moeder Hendrika Noorink, als volgd.

Aan Hendrik Veenebrugge, als komt te trouwen of uit zijn ouderlijke huis mogte vertrekken, een somma van negenhonderd guldens aan geld, en als komt te trouwen een behoorlijke uitzet; en zal denselven zo lange in zijn ouderlijke huis blijft wonen, mogen houden sestig schapen in het schot. Aan Anna Sophia Venebrugge, als komt te trouwen of uit haar ouderlijke huis mogt vertrekken, een somma van negenhonderd en vijftig guldens aan geld, en als komt te trouwen een behoorlijke uitzet; en daarenboven zo lange zij in haar ouderlijke huis blijft woonen, alle jaren vier ducaten tot zakgeld. En aan Janna Venebrugge, huisvrouw van Hendrik Breman, als het komt te eischen een somma van negenhonderd en vijftig guldens aan geld; hebbende dezelve haren uitzet reeds genoten. Voorts zal hij Karel Venebrugge verpligt zijn om zijn gemelde broeder Hendrik Venebrugge en zijne zuster Anna Sophia Venebrugge zo lange ongetrouwd zijn, en het goedvinden bij hem te blijven wonen, te moeten onderhouden en verzorgen; en zullen dezelve na verloop van twaalf jaaren en dan zo lange als hij Karel Venebrugge in leven is, niet buiten haar ouderlijke huis mogen gaan wonen, ten ware dan nog dat mogten komen te trouwen. En zo hij Hendrik Venebrugge in zijn ouderlijke huis mogte komen te overlijden, ongetrouwd zijnde, zal van zijne nalatenschap vererven aan zijne zuster Anna Sophia Venebrugge eenhonderd guldens en aan zijn zuster Janna Venebrugge een honderd guldens, en zijne overige gehele nalatenschap voor zijn broeder Karel Venebrugge of tot des huises beste verblijven; gelijk mede wanneer zij Anna Sophia Venebrugge in haar ouderlijke huis mogte overlijden, nog ongetrouwd zijnde, zal van hare nalatenschap vererven aan haar broeder Hendrik Venebrugge eenhonderd guldens en aan haar zuster Janna Venebrugge een honderd guldens, en haare overige gehele nalatenschap voor haar broeder Karel Venebrugge of des huises beste verblijven.

Eindelijk is geconditioneerd dat na het overlijden van voornoemde Hendrika Noorink, weduwe van Berend Venebrugge, alle derselver klederen en verdere lijfstoebehoren zullen vererven en vervallen zijn aan haare beide dogters Anna Sophia Venebrugge en Janna Venebrugge. Alle het voorschrevene verklaarden zij comparanten met malkanderen geconvenieerd en geaccordeerd te hebben, willende en begerende dat hetzelve stiptelijk zal worden nagekomen, ofschoon ook alle vereischte solemniteiten hierin niet mogten zijn geobserveerd. In kennisse der waarheid is dezen door mij verw. Scholtus voornoemd met de comparanten en de gemelde momboir getekend en door mij en de vier eerste comparanten gezegeld, en omdat Hendrik Breman en de momboir Jan Noorink geen zegels bij haar hadden, zo hebbe op haar verzoek desen voor haar met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum op de Venebrugge in ’t Schoutampt van den Hardenbergh, den 26 junij 1700 en tachentigh.

De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg betreft het testament van Carel Venebrugge en echtgenote Gezina Breman, gedateerd 18 februari 1782:
Wij Carel Venebrugge en Gezina Breman, echtelieden, hebben om redenen ons daartoe bewegende, goedgevonden bij dezen te maken en op te rigten onze beider testament en enige vrije onbedwongene uitterste wille over alle onze goederen, zoo wij bij ons overlijden zullen komen na te laten; zijnde ik Gezina Breeman nadat ik van de momboirschap mijnes ehemans in dezen was afgetreden, tot het doen dezer zaake geadsisteerd met Jan Noorink als mijnen gekoren en verzogten momboir; en dan tredende tot onze eenige vrije en welbedagte uitterste wille.

Zoo verklare ik testator Carel Veenebrugge voornoemd, dat indien ik zonder kind of kinderen na te laten mogte komen te overlijden, en mijne moeder Hendrika Noorink, weduwe Veenebrugge, als dan nog in leven mogte zijn, dezelve mijne moeder als dan te institueren in de legitime portie haar na de rechten dezer landen competerende, zonder meer. Wijders verklare ik testator Carel Veenebrugge  voornoemd, indien ik zonder kind of kinderen na te laten mogte komen te overlijden, bij dezen op de allerplegtigste maniere te institueren en te nomineren tot mijne universele erfgename, mijne ehevrouwe Gezina Breeman, om na mijn overlijden alle mijne na te latene goederen (buiten de bovengemelde legitime portie zo mijne moeder mijnen sterfdag overleefd) zoo mobile als immobile, actien en crediten, geene uitgezonderd, en waaronder speciaal mede begrepen mijne eigendommelijke halve havezate Veenebrugge, zijnde lheenhorig aan dese Provincie van Overijssel, volgens bekomen consent van den lheenheer om daarover voor den dagelijksen richter bij testament of anders te testeren van dato den 4 januarij dezes jaars 1782, in vollen eigendom te erven en te profiteren.

Insgelijks verklaare ik testatrice Gezina Breeman, met mijn voorzeide momboir zijnde geadsisteerd, indien ik zonder kind of kinderen na te laten mogte komen te overlijden, bij dezen op de allerplegtigste maniere te institueren en te nomineren tot mijnen universeelen erfgenaam, mijn eheman Carel Veenebrugge, om na mijn overlijden alle mijne na te latene goederen, zoo mobile als immobile, actien en crediten, geene uitgezonderd, in vollen eigendom te erven en te profiteren. Wij testator en testatrice voornoemd, verklaren dit voorschrevene onze vrije en onbedwongene uitterste wille te wezen, welke wij willen en begeren dat na onse overlijden effect moge sorteren, hetzij als testament, codicil, gifte ter zaake des doods ofte onder de levenden, zoals best in regten zal kunnen of mogen bestaan, ofschoon alle solemniteiten hierin niet mogten zijn geobserveerd. In kennisse der waarheid, hebben wij testator en testatrice voornoemd, en de voorzeide momboir van mij testatrice dezen eigenhandig getekend, en vermids wij testator en testatrice nog de momboir van mij testatrice geen zegels zijn bij ons hebbende, zo heeft de verw. Scholtus J. van Riemsdijk dezen voor ons alle drie op onze verzoek gezegeld. Actum op de Veenebrugge in ’t Schoutampt van den Hardenbergh den 18 februarij 1700 twee en tachentigh.

Het testament werd op 16 november 1784 geopend. Gezina Breman was overleden en haar man, Karel Venebrugge, wilde hertrouwen. Ze hadden samen één kind gekregen, genaamd Janna Elisabeth Veenebrugge.

Voordat Karel Venebrugge kon hertrouwen, moest een maagscheiding worden opgesteld voor zijn dochtertje Janna Elisabeth Veenebrugge, gedateerd 20 november 1784:
Ik Barend van Borne van weegens hooger overigheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere dat voor mij en keurnooten, die waren L. Rustenberg en G. Muller, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn, Carel Veenebrugge ter eener, en Derk Odink en Warse Stobben als mombaren over Janna Veenebrugge, minderjarige dochter van voorzeide Carel Veenebrugge en wijlen Gezina Breeman, echtelieden, ter andere zijde; en verklaarden dat de eerstgemelde comparant, als wederom staande te hertrouwen, ingevolge Landrechte aan de beide laatstgemelden in hunne voorn. qualiteit hadde gedaan bewijs en behoorlijke erfuittinge aan der voornoemde minderjaarige dochters aanbestorvene moederlijke goed, en, dat zij comparanten verders bij forme van maagscheiding waren overeengekomen en verdragen, dat den eerstgemelden comparant Carel Veenebrugge, vermids deszelfs halve havezate de Veenebrugge bekendlijk leenhorig aan deze Provincie is, en dus door dezelve buiten gemeenschap met zijne wijlen huisvrouw is bezeten geweest, aan zijne voorzeide dochter Janna Veenebrugge; voor al het haar aanbestorvene moederlijke goed zal hebben uit te keren, benevens der moeders nagelatene klederen en verder lijfstoebehoor, eene summa van vierhonderd carolij guldens, te betalen als zij vijfentwintig jaaren oud zal zijn of wanneer zij eerder komt te trouwen, tot welken tijd toe hij de opkomsten daarvan zal blijven genieten, om daarvan het kind mede na behoren te kunnen opvoeden; alles met verzoek, dat dezen weled. gerichte deze ingegaane maagscheiding moge approberen, gelijk geschied bij dezen. Des t’oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voornoemd deze nevens de comparanten eigenhandig getekend, met mijn zegel bekrachtigd omdat en ze voorts ook voor de comparanten, omdat zij geene zegels bij zich hadden, op hun verzoek gezegeld. Actum Hardenbergh den 20 novemb. 1700 vierentachtig.


Zilveren kop van de wandelstok van Berend Venebrugge (BVB), geboren 10 februari 1786 te Venebrugge (object eigendom van de fam. Woertel te Radewijk).

Op 28 december 1805 werd de andere helft van de havezate Venebrugge overgedragen door Hendrik Hoogklimmer te Bentheim aan Lucas Hoenderken en echtgenote te Hardenberg. Dit blijkt uit het rechterlijk archief:

In exhibitum: Compareerde voor mij Jan Willem Hendrik Buch, richter van Bentheim en Schuttorf, de heer Hendrik Hoogklimmer, rentmeester van de Hooggraaflijke Domainen en de kerkelijke goederen, hier woonagtig, verklaarende mits deesen volmagtig te maaken Lubbert Stoeten te Reese, omme uit naam van comparant overdragt te doen aan de heer L. Hoenderken te Hardenberg, van de halfscheid van de Hoovezaat Veenebrugge, door hem constituant voor de summa van f. 4000,- verkogt zijnde, hebbende de kooper reeds f. 2000,- daarop betaald. Geevende hij comparant aan den geconstitueerden alle magt, welke volgens costume locaal hiertoe zal vereischt worden, houdende dezelve als woordelijk hier geinsereerd. Alles onder de gewoonlijke clausulen, rati, grati, indemnitatis, onder verband van persoon en goederen. In oirkonde hebbe ik richter voornoemd dezen neffens den comparanten onderteekend en bezeegeld en door den actuaris laaten contrasigneren. Actum Bentheim, den 27ten december 1805.

In het archief van maire Antoni van Riemsdijk is een brief bewaard gebleven, gedateerd 24 april 1811, aangaande de tolheffing door de eigenaren van de Venebrugge:
Zijnde de Veenebrugge met den tol aangekocht den 16en july 1685 door Jan van Borne en Berend Hendriks van vrouwe Agnes van Coeverden, douarière van wijlen de heer Carl Otto Scheel, zijnde deeze tol [–] lang tevooren geheeven. Word door de eigenaaren zelven gecollecteerd en brengt plusminus ’s jaarlijks op 90 gulden, zegge ƒ 90,- welke besteed worden tot onderhoud van dezelve weg.

Notaris Antoni van Riemsdijk verleed op 20 januari 1824 een akte op verzoek van Jannegien Mollink, weduwe van Harmen Wijgmink als contractant ter ene zijde en haar schoonzoon en dochter Berend Veenebrugge en echtgenote Hillechien Wijgmink, wonende aan de Venebrugge, ter andere zijde. Zij waren onderling tot een akkoord gekomen over de verdeling, liquidatie en scheiding van de tot dan toe onverdeelde boedel uit de nalatenschap van Harmen Wijgmink. Tot die boedel behoorde o.a. het erve Wijgmink, gelegen in de buurtschap Bergentheim, bestaande uit deszelfs behuizinge, schuur en schapeschot no. 18, met gronden en wheeren. Om de vordering van moeder Hillechien op haar dochter en schoonzoon te borgen, werd door het echtpaar Venebrugge een hypotheek gevestigd op hun bezittingen. Het betrof o.a. de vaste goederen als een woonhuis, schuur en schapeschot, mitsgaders een zogenaamd Oud Huis, met derzelver gronden en wheeren, staande en gelegen op de Venebrugge onder numero 24, bekend onder den naam van de Herberg aan de Veenebrug of aan den Slagboom, mitsgaders de daartoe gehorende hof en gaarden, ten zuiden agter en aan hetzelve woonhuis gelegen (aktenr. 363, scan 302).

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 staat het erve vermeld als eigendom van landbouwer Karel Venebrugge. Echter, Carel Venebrugge was al op 28 juli 1827 overleden. De Veenebrugge behoorde dan ook al enkele jaren aan diens zoon Berend Venebrugge en echtgenote Hilligjen Wiegmink. De boerderij annex herberg staat in 1832 op legger 374 onder sectie E no. 35.

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

Het oude woonhuis op de Venebrugge werd op 8 mei 1833 door een desastreuze brand verwoest. Daarover berichtte de Overijsselsche Courant van 17 mei 1833:

Kadastrale hulpkaart, anno 1836, getekend na de nieuwbouw van de Venebrugge.

In het archief van notaris Willem Swam te Gramsbergen wordt de akte van openbare verkoop bewaard van de Venebrugge, gedateerd 30 november 1860 (akte 2673, scans nr. 43 e.v.). De veiling geschiedde in opdracht van Berend Venebrugge (landeigenaar te Venebrugge) en Carel Venebrugge (landbouwer aldaar), Gezina Johanna Venebrugge (zonder beroep aldaar), Jan Harmen Venebrugge (kastelein te Heemse), Hendrik Meijerink (winkelier te stad Hardenberg, echtgenoot van Wilhelmina Hendrika Venebrugge), Gerrit Rigterink (zonder beroep, echtgenoot van Hendrika Alberta Venebrugge) Het eerste perceel of kavel van de veiling betrof het woonhuis met de daartegenover staande schuur en daarbij staand varkenshok, met derzelver gronden en wheeren, benevens den daarachter gelegen tuin en den zogenaamden lagengaarden, zijnde bouwland, een en ander staande en gelegen op de Venebrugge en aldaar kadastraal bekend in sectie E nummer 35 als huis en erf en nummer 34 als tuin en 33 als bouwland. Tijdens de eerste veiling werd de kavel ingezet door Seine Ymhoff, landbouwer te Venebrugge, voor f. 2500,- waarna hij zijn bod nog verhoogde tot f. 3.000,- Bij de uiteindelijke definitieve veiling mijnde hij de kavel voor f. 3.500,-

In 1862 vond een hermeting plaats vanwege de doorgevoerde markeverdeling. Daarvan werd een prachtige nieuwe minuutkaart gemaakt.

Kadastrale minuutkaart, anno 1862.

Volgens de kadastrale legger 1625/12 ging de Venebrugge (sectie E-185) over op 1625/26 en 34.
1625/26: Sectie E-177. Huis en erf. In 1869 gedeeltelijke afbraak. Over op: 1625/52.
1625/34: Sectie E-185. Huis en erf. Huisnr. K-4. In 1893 boedelscheiding. Over op: 5116/26.
1625/52: Sectie E-531. Huis, schuur en erf. Huisnr. K-2. In 1878 vereniging van percelen. Over op: 1625/58.
1625/58: Huisnrs. K-2 en K-3. Sectie E-606. Huis, schuur en erf. In 1893 boedelscheiding. Over op: 5116/41.

De bebouwing op de voormalige havezate, anno 1931. Rechts de boerderij van Berend Schutte die in 1833 met vereende krachten gespaard bleef. 
De familie Altena bij hun boerderij op de voormalige havezate Venebrugge. V.l.n.r.: Frederikus Johannes Altena (1919-2016), Roelof Altena (1913-1984), weduwnaar Lambert Jan Altena (1883-1939), Jan Hendrik Altena (1916-1995), Hendrik Jan Altena (1921) en Jennigje Berendje Altena (1926). Foto ca. 1935.
Een foto uit de collectie van ds. E.J. Loor, ca. 1960.
Boerderij op de voormalige havezate, anno 1968.
Foto van ’t voorhuis van de voormalige havezate, anno 2007 (fotograaf: E. Wolbink).
Rijksmonumentale houten schuur op de voormalige havezate, anno 2007 (fotograaf: E. Wolbink).

Nu is het erf geadresseerd aan de Hoogenweg 59.