’t Stoeten of ’t Voerhuis

Conditiën en Voorwaarden, waarop de Heeren Erfgenamen en Goeds Heeren van Rhese, ingevolge een eenparig genomen resolutie van den 15 julij 1767, voornemens sijn om op heden den 8 october 1767 den tot hier toe genomen Rhesermarsch onder malkanderen te verdelen in elf delen:
– voor ds. W. Stolte en A. de Munnik, wegens een volle whaere van Loevelink, nu genaamd het Stoeten, een deel;
– voor Jan Lubbers, wegens een volle whaere van Loevelink, nu genaamd het Stoeten, een deel.

In het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg wordt een hypotheekakte bewaard, gedateerd 16 juni 1776, waarin de dominee van Heemse, Willem Stolte, verklaart 4000 gulden te hebben geleend van koopman Gerrit Timmerman uit Zwartsluis. Als onderpand stelde hij de helft van het Spijker, met de daaronder gehorende boerenplaats Stoeten of ’t Voerhuis te Rheeze. Deze onroerende goederen had hij op 2 augustus 1765 in eigendom gekregen. 

Een volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief dateert van 15 april 1786. In die hypotheekakte verklaren Aaldert de Munnik en echtgenote Geertruid Boerink, woonachtig te Hardenberg, dat ze geld hebben geleend van oud-burgemeester B. van Marle te Zwolle. Het ging om 2000 guldens. Als onderpand stelden ze hun gerechte helft van het erve Stoeten, zoals dat op 17 januari 1766 door hen was aangekocht van J.H. Crans en echtgenote. Op 29 april 1789 leende het echtpaar andermaal 2000 guldens, maar toen van koopman Lambert Linthorst te Zwolle. Ze stelden andermaal hun halve erve Stoeten als onderpand.

De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief dateert van 22 april 1791:
Ik G.J. Crull, wegens hooger overheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe cond en certificere: dat voor mij en keurnooten, die waren burgemr. A. Sierink en Evert Goris, persoonlijk in den Gerichte gecompareerd is, de weleerw. heer Willem Stolte, predikant te Heemse; dewelke verklaarde voor eene summa van koopspenningen, ad vierduizend guldens, die den eersten met den laatsten van dien door den heer oud-burgemeester Barend van Borne, voor en ten genoegen van comparant, ter restitutie en in voldoeninge van eene gelijke summa, door comparant in dato den 16 junij 1776, tegens speciaal gerechtelijk verband en hypoteek der hierna benoemde goederen, te te prothocolle, van de ed. Gerrit Timmerman en vrouw genegotieerd en opgenomen, aan derzelver nagelaten zoon Jan timmerman te betalen, niet alleen zijn aangenomen, maar ook werkelijk aan dezelve zijn voldaan en betaald, – bij dezen aan denzelven heer oud-burgemeester B. van Borne in de bestendigste forma landrechtens te transporteren en in vollen eigendom over te dragen, zijn comprants eigendommelijke allodiaale gerechte halfscheid van het Spijker cum annexis te Rheese, met de daaronder gehoorende boerenplaatse Stoeten off het Voerhuis genaamd, en de daarbij gehoorende twee kotterplaatzen, thans bij Albert Hendriks en Hindrik Gerrits wordende bewoond en bemeijerd, met derzelver onderhoorige behuizingen, landerijen, koeweiden, veeneakkeren, houtkampen, houtgewassen, rechten en gerechtigheden, zoals dezelve gerechte halfscheid van voornoemde goederen op den 2 augustus 1765 tn te prothocollo waartoe men zich gedraagd, aan comparant zijn getransporteerd geworden, en niets daarvan uitgezonderd, zijnde merendeels onder de boerschap Rheese en onder de boerschap Brucht gelegen, en mandeelig met de andere halfscheid van A. de Munnik en deszelfs huisvrouw; alles ingevolge de koopbrieff daarvan zijnde door comparant met voornoemden heer Van Borne in dato den 12 junij 1784 uitgegaan of opgericht. Doende den comparant van voorz. gerechte halfscheid der voorschreven goederen, met derzelver recht en gerechtigheid, raad en onraad, lusten en lasten van dien, zoals die aan comparant hebben toebehoord en niets daarvan uitgezonderd, bij dezen afstand, oplatinge en vertigtenisse met hande en monde, hem en zijne erffgenamen daarvan ontervende, en den voornoemden koper en betaaler, den heer oud-burgemr. B. van Borne en zijne erfgenamen daar wederom aanervende, en belovende om ook deze cessie en overdragt ten allen tijde te zullen staan, wagten en waaren, voor alle evictie en opsprake als naar rechten behoord. Des t’oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voornoemd deze met den heer comparant eigenhandig getekend en gezegeld. Actum Hardenbergh den 22 april 1700 een en negentig.