’t Stoeten – bronnen

Rechterlijk archief Schoutambt Hardenberg, d.d. 1776-06-16:
Ik Jacob van Riemsdijk, van wegens hoger overigheid verw. Scholtus van den Hardenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere hiermede, dat voor mij en keurnoten die waren pr. J. van Riemsdijk en Arend Ophof, persoonlijk in den Gerigte gecompareerd en erschenen is de weleerwaarde heer Willem Stolte, predicant te Heemse; en verklaarde de heer comparant wegens opgenomene en aan hem verstrekte penningen opregt en deugdelijk schuldig te wesen aan de ed. Gerrit Timmerman, coopman op de Zwarte Sluis en desselvs ehevrouw, een capitale somma van vierduisend car. guldens ad twintig stuivers het stuk, zegge 4000 guldens. Aennemende en belovende de heer comparant dezelve jaarlijks en alle jaren tot de aflosse toe te sullen verrenten met drie guldens en vijf stuivers van ieder honderd gerekend; zullende het eerste jaar interesse hiervan wesen vervallen  heden over een jaar en so vervolgens tot de aflosse continuëren. Verklarende de heer comparant onder reuntiatie van alle exceptien die desen mogten contrariëren, daarvoor niet alleen tot een generaal verband te verbinden sijn persoon en goederen, geene uitgesonderd, maar ook bij desen tot een speciaal hijpotheecq en onderpant daarvoor te verbinden en te stellen desselfs eigendommelijke allodiale en onbezwaarde geregte halfscheid van het Spijker cum annexis, met het daaronder gehoorende boerenplaatse Stoeten of ’t Voerhuis genaamd, en de daarbij gehorende kleuterplaatsen van Gerrit Derksen en van Hendrik Arends, en verdere onderhorige landerijen, coeweiden, veeneakkeren, holtkampen, houtgewassen, regten en geregtigheden, niets uitgesonderd, soals deselve op den 2 aug. 1765 aan hem heer comparant getransporteerd, en thans nog aan sijn weleerw. in eigendom toebehorende sijn; wesende dese goederen merendeels gelegen onder de boerschap Reese, en onder Brugt in dit Schoutampt, ten einde om in geval van onverhoopte misbetalinge, so van capitaal als renten, als dan het voorn. capitaal van vier duisend guldens met de onbetaalde interessen daaraan ten allen tijden cost en schadeloos te kunnen en mogen verhalen. In kennisse der waarheid is desen door mij verw. Scholtus voornoemd, met de heeren comparanten getekend en gezegeld. Actum Hardenbergh den 16 junij 1700 ses en seventigh.

Vrijwillig rechterlijk archief Schoutambt Hardenberg, d.d. 1786-04-15:
Ik J.G. Pruim, van weegens hooger overheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere: dat voor mij en keurnooten, die waren de schoolmr. M. Pruim en Jan Derksz Zweers, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Aaldert de Munnik, woonächtig alhier ten Hardenbergh, en deszelfs huisvrouw Geertruid Boerink, tutore marito: dewelken verklaarden wegens opgenomen en ter leen ontvangene penningen oprecht en deugdelijk schuldig te zijn aan de heer en mr. B. van Marle, oud burgemeester der stad Zwolle en ontvanger generaal van Zalland en deszelfs ehevrouwe H.C. Goltz, eene capitaale summa van tweeduizend carolij guldens; met aanneming en belofte, om dezelve capitaale summa ’s jaarlijksch en alle jaaren tot de effective aflosse en restitutie der penningen toe, die na voorgaande opzage of loskondiging van de een of andere zijde van een half jaar voor den verschijndag zal kunnen, mogen en moeten geschieden, te zullen verrenten met vier gelijke guldens van yder honderd ’s jaarlijksch; zullende het eerste jaar interesse hiervan verschenen zijn op den 18 april 1700 zevenentachtig, en zoo vervolgens ’s jaarlijksch continueren. En opdat welgemelde renthefferen voor hun uitgedaane capitaal en de daarop te verlopene renten de vereischtte zekerheid moge hebben: zoo verklaarden zij comparanten, onder renuntiatie van alle tegenstrijdige exceptien, en in specie die van onaangetelden gelde, bij dezen daarvoor niet allen te verbinden en te stellen hunne persoonen en goederen in ’t generaal, maar ook (boven en behalven het op den 4 dezer te Zwolle, naamens hun comparanten, ten behoeve van welgem. renthefferen, gehijpothequeerde recht van het caraveel-schippers-veer) daarvoor mede tot een speciaal hijpotheecq en onderpand te verbinden en te stellen, hun comparanten eigendomlijke gerechte halfscheid van het erve Stoeten met deszelfs rechten en gerechtigheden, behuizingen, landerijen en houtgewassen, kenlijk staande en gelegen in en onder de boerschap Rheese in dit Schoutampt, zoo als het zelve op den 17 jan. 1766 van de heer J.H. Crans door den eersten comparant en zijne wijlen huisvrouw is aangekocht, en o pden 15 april deszelven jaars is getransporteerd geworden; zijnde vrij allodiaal goed, en tot nog toe met geene meerdere obligatien en hijpothecatien bezwaard, als die, welke door gem. eersten comparant en wijlen huisvrouw op den 12 junij 1767, ten behove van de heer burgemr. Balth. Muntz, gepasseerd geworden is en waarvoor gem. goederen verbonden zijn; zijnde die obligatie groot achthonderd guldens en lopende tegens 3 pro cento ’s jaarlijksch; ten einde welgem. renthefferen zich daaraan, bij wederomeisching van voorz. capitaal, in cas van onvermoedelijke wanbetaling, zoo voor capitaal als renten, kost- en schadeloos zullen kunnen en mogen verhalen. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voornoemd, deze benevens de comparanten getekend en gezegeld. Actum Hardenbergh, den 15 april 1700 zesentachtig.