de moord op Hendrik Veltmans

Brief van burgemeester Van Riemsdijk aan de Officier van Justitie 

Op heden den 8sten april 1820, des avonds ongeveer 5 uur, ons bevindende ter huize van Berend Harsevoort ter Steede Hardenbergh, komt Jan Hendrik Hankamp, knegt bij den bouwman Jan Hanekamp, in de buurtschap Radewijk, ons Antoni van Riemsdijk, schout der gemeente het schoutambt Hardenbergh, boodschappen dat Hendrik Veltman, meede landbouwer aldaar, heden agtermiddag zoude zijn verdronken in de Radewijkerbeek, ter zelfde buurtschap, aan of boven deezes zogenaamden Nieuwenhoek aldaar, alwaar met zijnen knegt Jan Mulders bezig zoude zijn geweest om eene afweiding voor het vhee door dezelfde beek te maken. Ons aanvraagende of het lijk van denzelven Hendrik Veltman tot na des door ons gedaan onderzoek op de plaats moeste blijven liggen, dan of het zelve van daar mogt worden opgenoomen en ten huis gebragt.

Waarop wij denzelven Jan Hendrik Hankamp, dadelijk weer na derwaards gezonden hebbende, met order om het lijk aanstonds uit het water te halen, na huis te brengen, van zijne natte klederen te ontdoen en op een bos stroo of bed te plaatsen, en het zelve tevens en tot op mijne komst met droge en warme doeken over de borst, de zijden, langs de rug, en onder de voetzoolen te wrijven, ons met den meesten spoed na de plaats van het verdrinken hebben begeven, en aldaar ontmoet de buurlieden van Hendrik Veltman, met naamen Lucas Reints en Arend Mas, die ons de plaats van het verdrinken hebben aangeweezen en een aldaar over de beek liggend stuk hout, dat volgens zeggen van den voormelden Jan Mulders, en ook blijkbaar tot de voorenbedoelde afvreeding zoude hebben gediend en van onder hetwelk dezelve Jan Mulders hun hadde gezegd zijn meester uit het water te hebben gehaald en gesleept tot op den over der beek, op welken de voormelde Lucas Reints, die door Jan Mulders ter adsistentie in deezen was geroepen, dan ook den verdronkenen of overledenen deezen agtermiddag om ongeveer 3 uur hadde gevonden, hebbende daarop van het voorval dadelijk meede gaan kennisse geven ten huize van Jan Hanekamp voorzeid, van wegen wien dan ook communicatie was gedaan ten huize van vorengedagten Arend Mas, die op de plaats aan de Radewijkerbeek komende aldaar Lucas Reints voorschreven bij het lijk zijnde, Jan Mulders bij deeze terugkomst met de wagen en paarden, waarop het bedoelde stuk hout na de beek was gevaren, na huis gereden om de paarden op stal te brengen, vond en welk lijk vervolgens bij het retour van Jan Hendrik Hankamp meergedagt, van Hardenbergh door hun drieen te huis was gebragt en aldaar voor het vuur, op eenige ymenplaggen gelegd, alwaar wij ondergetekende schout, het alzoo onuitgekleed des avonds ruim 7 uuren vonden liggen, zonder eenige tekens van leven.

Het lijk vervolgens doende uitkleeden, zo ontdekten wij bij het afneemen van den hoed, het bovenste en hairig gedeelte van het opperhoofd bebloed en ook eene kwantiteit geronnen bloed in den hoed zelve, terwijl wij, na het hoofd afgewassen te hebben, niet weinig verwonderd waaren in het zelve voor- zijdewaards aan het opperhoofd op ongeveer 3 duim afstands boven de buitenste hoek van de linker oogholte eene diepe wondinge ter lengte van ongeveer 1 duim te ontdekken, die, alle de bekleedzelen van het zelve hebbende doorkliefd, eene daaronder verbrijzeld of gescheurd of ingedrukt bekkeneel deed zien en nog duidelijker voelen.

Verklarende inmiddels, op onze aanvrage, de knecht Jan Mulders, dat hij met zijnen meester het voorzeide hout over de beek gebragt hebbende, waarbij natte voeten hadde gekregen, op diens verzoek en aandrang, vreezende dat hierdoor nadeel aan zijne gezondheid mogte komen te lijden, zich na huis hadde begeven om de laarsen aan te trekken, terwijl zijn meester hadde gezegd, het hout zo lang alleen wel te kunnen vasthouden, op de rust van den wal van den voorenbedoelden Nieuwenhoek, waarop hetzelve hadden gelegd.

Dat hij, deezen aandrang opvolgende en na verloop van ongeveer een quartier weer aan de beek komende, zijnen meester voorover in dezelve met het hoofd onder het meergemelde hout vond liggen en van onder het welke hem dan ook dadelijk ofschoon met eenige moeite daar de nek aan of onder het hout zich scheen te hegten, uit dezelve op en aan den oever hadde getrokken en waarop na hunnen buurman Lucas Reints was gelopen om denzelven van het gebeurde kennisse te geven. Waarop wij ondergetekende schout, den zamenloop der omstandigheden in aanmerking neemende en considererende, dat weliswaar het bedoelde hout blijkbaar op eenen wal hadde gelegen, waarvan het weer konde zijn afgerold, doch dat de hoogte van dien wal boven de oppervlakte des waters te gering was of scheen te zijn om aanleiding te geven, tot zodane wondinge, die tevens aan het lijk, liggende op eene aanmerkelijke diepte waters, op de voorzijde, op welke hetzelve was liggende, niet voegzaam door het afglijden van het hout konde zijn toegebragt, begrepen hebben het verder onderzoek aan het lijk te kunnen staken, tot op de komst van den heer vrederechter deezes kantons, aanwelken Lucas Reints meergemeld hebben afgezonden om door denzelven kennisse van het gebeurde te ontvangen en zich ter onzer adsistentie na herwaards te vervoegen.

Dan dezelve Lucas Reints retourneerende met de boodschap van den heer vrederichter, dat bij het duister niet konde koomen, maar zich deezen nagt ten 5 uuren te zullen doen wekken en herwaards koomen, zoo hebben wij als in loco zijnde, het van onzen plicht geoordeeld, het gestaakte onderzoek omtrend het lijk van Hendrik Veltman te vervolgen en daarbij alnog bevonden dat de hoed van de overledene op twee plaatsen zichtbaar gescheurd was, komende de eene scheur overeen met de voormelde wondinge, en bevindende zich de andere in eene schuinsche rigting daar tegens over, waarop wij den hoed op het hoofd des lijks plaatsende, onder de andere scheur in denzelven ook eene tweede wonding van het hoofd, te weten beneden aan het agterhoofd boven in de nek, ontdekten, van eene driehoekige gedaante, even als waren dezelve door een steek met een mestgreep aangebragt, hoedanig instrument dan ook de voormelde Lucas Reints en Arend Mas verklaarden in de beek in het water bij het lijk te hebben vinden staan en welke de knegt Jan Mulders zegt door zijn meester te zijn meedegenoomen geworden om daar meede plaggen te laden, en aan welke greep, die ons vervolgens vertoond is tevens met een bijl die bij het maken der afvreeding was gebruikt, wij niets bijzonders hebben bevonden, zoo als wij ook na de geheele ontkleeding van het lijk te hebben gedaan bewerkstelligen, aan hetzelve bij het volstrekt gemis van leven, geene verdere tekenen van eenig van buiten aangebragt geweld hebben bevonden.

Hebbende voorts nog de meergemelden Jan Mulders verklaard, niemand in het veld bij of omstreeks den beek voor zijn gaan na huis om de laarsen aan te trekken, of bij zijne terugkomst aldaar te hebben vernoomen en dat bij het uittrekken van zijn meester uit het water, dien hoed van onder hetzelve was komen bovendrijven, dat hij daarin wel bloed hadde gezien, edoch denzelven zonder hier verder over na te denken, weer op het hoofd van het lijk heeft geplaatst. Waarna wij het voormelde proces-verbaal opentlijk hebbende voorgeleezen ter praesentie van de verder inmiddels meede aangekoomene gebuuren, met vlijtige ondervraage aan de daarbij genoemden of ook nog niets aan hetzelve toetevoegen hadden, of iets bij hetzelve waare vermeld, dat daarvan moeste afgelaten geweest zijn, hetzelve hebben geslooten en met en benevens de geconcerneerden, except Jan Mulders, die verklaarde van nimmer te hebben kunnen tekenen of schrijven, getekend te Radewijk voormeld, ten jaare en dage, als vooren, des nagts kwartier voor twaalf uuren.

 

Brief d.d. 25 april 1820 van Antoni van Riemsdijk aan de onderprefect van Deventer: 

Ik hebbe de eer u bij dezen te retourneren de mij bij deszelfs missive van gisteren toegezondene stukken; en diend voorts ter uwe inormatie, dat door den ten dien einde afgezondenen boode dezer gemeente, Frederik Zweers, voormaligen timmerman van beroep, de Radewijker-Beek, ter plaatse alwaar het lijk van wijlen Hendrik Veltman in dezelve den 8en deezer is bevonden, is gemeten van de benedenwal 20 voeten en 6 duimen en van de bovenwal 23 voeten breed, terwijl dezelve boode den ten dezen betrekkelijken kerssenboom heeft gemeeten op eene lengte van 25 voeten en 9 duimen, alles in Amsterdamsche maat.

Overigens vinde ik mij tot hiertoe buiten staat u eenige nadere ophelderingen in deeze zeker zeer duistere zaak te kunnen doen toekomen, de algemeene opinie vind dezelve weliswaar hoe langer hoe meer raadzelachtigh en verwijderd zich, hoe langer hoe meer, van het idee dat de overledene bij toeval hier zoude omgekomen zijn, dan nopens den vermoedelijken dader blijft zich alles tot enkel vermoeden bepalen, en ofschoon dit vermoeden, de onderscheidene omstandigheden in aanmerking genomen wordende, in het algemeen meer toe dan afneemd, zo valt hier omtrend toch niets afdoends te zeggen, even zo weinig als ten opzichte van het raadzelachtige der verontschuldigende opinie door de huisgenoten en geburen van wijlen Hendrik Veltman tot hiertoe aan den dag gelegd wordende. Zou u niet dienstig oordeelen, dat ten dezen onder anderen nog gehoord wierde Berend Venebrugge Carelszoon, koopman, wonende aan de Veenebrug, die tijdens het opmaken van mijn proces-verbaal ten dezen, in het huis van Veltman aanwezig was en in de gelegendheid om onder mijn schrijven den persoon van Jan Mulders van nader bij te observeeren, de oude gemoedelijke Jan Hanekamp, landbouwer te Radewijk, die meede op dat moment ten huize van Hendrik Veltman aanwezig was, Herm Zwijze junior, landbouwer te Loozen, bij wien Jan Mulders na eerst bij Hendrik Veltman gewoond te hebben, is gaan wonen tot op het moment dat de herwoning bij dezen heeft hervat en Evert Tiebert, landbouwer wonende te Wielen in de Graafschap Bentheim, van wien het mij onlangs discoursive voorkwam dat iets meerder nopens Jan Mulders zoude kunnen verklaren, uitende onder anderen, dat Hendrik Veltman ergens zoude hebben gezegd dat Jan Mulderds met meij aanstaande wel te hebben willen laten vertrekken, doch dat alleen geen baas was, als meede mij te kennen gevende, dat de bedoelde Jan Mulders als een snor (zoals hij zich uitdrukte) in het hoofd had, niet van de zachtsten was en dat hij met de broer van Hendrik Veltman ook wel eens woorden hadde, blijvende overigens hier altijd nog het praatjen van betrekkingen tusschen Jan Mulders en de vrouw van wijlen Hendrik Veltman in zwang, terwijl men zelfs wil, dat de overledene na de geboorte van zijn eenig kind, denzelven Jan Mulders vroeger uit zijnen vorigen dienst zoude verwijderd hebben.

 

Brief d.d. 2 mei 1820 van Antoni van Riemsdijk aan de onderprefect van Deventer: 

Ten gevolge der bedekte informatie├źn dient dagelijks in persoon neeme en door den overmoeiden veldwachter en policie-dienaar dezer gemeente, Ernst Hamelman, bij dezes dagelijksche toeren in de gemeente doe neemen, betrekkelijk het gebeurde met wijlen Hendrik Veltman te Radewijk, komt deeze mij hedenavond te kennen geven, dat heden, gaande met zekeren Herm Jan Warmelink, dagloner, thans wonende te Heemse, doch tot den eersten dezer gediend hebbende als knecht bij den landbouwer Egbert Klinge te Radewijk voormeld, en met denzelven over het bedoelde onderwerp spreekende, van dezen heeft vernoomen, dat dezelve wijlen Hendrik Veltman ten dage van zijn omkomen op de plaats van het gebeurde worstelende of vechtende met zijnen knecht, de gedetineerde Jan Mulders, zoude zijn gezien door een van de zoons van de weduwe Egbert Hutten, landbouwersche te Baalder, die in het veld met plaggen steken was bezig geweest, hebbende tevens deze Herm Jan Warmelink noch bovendien gezegd, dat de gedetineerde Jan Mulders een zeer brutale kaerel zoude zijn, als hebbende in gezelschap van den knecht van den bouwman Hendrik Bosman te Radewijk, hem dezen winter ten huize van Egbert Klinge voornoemd, komen aanranden uit hoofde hun als zoutsmokkelaars zoude hebben verklikt, aldaar bij de borst gegreepen, naar buiten ’s huis gesleept; buiten de deur afgerost en daarna in het water gesmeeten.

Ik hebbe gemeend u hiervan bij dezen wordende overgebragt door een der in deze zaak tegens morgen voor de rechtbank gedagvaarden, te moeten kennisse geven, met informatie tevens, dat de nog te huis zijnde zoonen van de weduwe Hutten te Baalder zijn, Jan Hutten, Gerrit Jan Hutten en Seine Hutten, welke laatste echter als niet in allen opzichte compos mentis, de bedoelde niet zal zijn, als zelden alleen ten veldarbeid uitgezonden wordende, terwijl de bedoelde knecht van Bosman, waarvan de naam op dit moment niet kan te weten komen, thans met meij na Holtheme moet zijn gaan woonen, en zijnde geboortig uit de graafschap Bentheim, de naam heeft van niet zeer zachtaardig te zijn.