’t Mas

Bijna vijfhonderd jaar geleden waren er al vijf boerderijen in Radewijk. Daartoe behoorde ook het erve Mas, eigendom van jonkheer Asewijn van Gramsbergen. Evenals de meeste andere boerderijen is erve Mas gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de beek. De bewoners maakten dankbaar gebruik van de vruchtbare grond, waar men bovendien kon voorzien in de waterbehoeften van mens en dier. Tegenwoordig kennen we het erve Mas als de boerderij waar Thuusink woonde. De geschiedenis van dit erve kenmerkt zich door een merkwaardige concentratie van tegenslag en rampspoed. Tegelijk zien we aan dit erve tot welk een solidariteit de noaberhulp van zovele Radewijkers kon leiden.

Jonkheer Asewijn, een aanzienlijk man, had vele bezittingen in de wijde omgeving van Gramsbergen en was kasteelheer van Gramsbergen. Jaar in jaar uit verpachtte hij zijn bezittingen, en het schattingsregister van 1520 laat zien dat Eghbert die Mast hem jaarlijks acht mudden rogge moest betalen. De pachters volgden elkaar vaak in ras tempo op, meestal met tussenliggende perioden van vijf à zes jaar. In het midden van de 16de eeuw volgde een zeer onrustige tijd voor de Radewijker ingezetenen. In 1568 brak de oorlog uit die geheel Europa en dus ook onze streek zo’n tachtig jaar lang in zijn greep hield, de Tachtigjarige Oorlog. Is er ook hier gevochten? Jazeker. Op de Stalbrinck nabij de Venebrugge vond op 17 juni 1580 een grote veldslag plaats tussen Staatse en Spaanse troepen – de Slag op de Hardenbergerheide. Dat die slag zijn sporen heeft nagelaten, behoeft geen betoog. Het verpondingsregister van 1601 laat zien dat veel boerderijen in Radewijk gansz desart ende night gebrucket waren. Dat wil zeggen dat (op het erve Stubben na) iedere boerderij verlaten of in onbruik was geraakt door het oorlogsgeweld in de nabije omgeving. Het moet een desolate aanblik zijn geweest, verlaten boerderijen in het Radewijker land dat zichtbaar de sporen droeg van een wrede veldslag.

 

Boerderij Mas, anno 1990 (Fotograaf: J. Woertel, Radewijk).

 

Datzelfde verpondingsregister laat zien dat het erve Mas in die periode overgaat naar de drost van Salland, die verklaart dat zeer binnenkort weer een nieuwe pachter op de boerderij zal worden geplaatst. De boeren-ondernemingszin liet zich blijkbaar niet zo snel afschrikken, ook niet in Radewijk. De kerkboeken geven in 1680 voor het eerst blijk van het bestaan van het erve Mas. In die boeken lezen we dat in de kerk van Gramsbergen op 12 augustus van dat jaar de doopplechtigheid plaatsvond van Trijntien, dochter van Gerrit Hendriks Mas. Merkwaardig eigenlijk dat de Radewijkers zich geregeld in Gramsbergen lieten dopen, terwijl de buurtschap kerkelijk tot de gemeente van Hardenberg behoorde. Vermoedelijk liggen hier praktische motieven aan ten grondslag: de slecht begaanbare zandwegen naar Hardenberg zullen mogelijk de aanleiding zijn geweest om de veel comfortabeler tocht over de vanouds hoger gelegen weg naar het naburige Gramsbergen te ondernemen.

Zes jaar na de doop van Trijntien werd het erve Mas door de eigenaar, de heer Scheele tot de Welborgh, verkocht aan rentmeester Hendrik Assies van den Mariënberg. De verkoper, ook alweer een aanzienlijke, was kastelein van de havezate Venebrugge. Kennelijk zat deze Scheele tot de Welborgh enigszins krap bij kas, want we weten dat in die tijd beslag werd gelegd op twee van zijn boerderijen. De aankondiging tot verkoop gebeurde bij kerckespraecke. Dat wil zeggen dat de voorgenomen veiling of verkoop werd afgekondigd vanaf de kansel. Dat is typerend voor de rol van de kerk indertijd, veel meer dan nu een sociale ontmoetingsplaats, waar de ingezetenen de onderlinge contacten aanhielden, nieuwtjes uitwisselden en soms zelf verregaande besluiten namen. Via de kerckespraecke kregen de belangrijke actualiteiten, zoals een verkoop, dan een formeel karakter. 

Genoemde Gerrit Hendriks Mas kreeg zeker vijf kinderen, twee dochters en drie zonen. De naam van zijn vrouw vinden we echter niet terug bij de doopinschrijvingen. De kinderen, op zoon Hendrik na die het bedrijf van vader Gerrit overnam, verlieten na hun trouwen de ouderlijke boerderij in Radewijk en vestigden zich op de boerderij van de respectievelijke schoonfamilies.

We slaan een lange periode over en belanden in het jaar 1665 – opnieuw oorlog, en opnieuw misère en treurnis voor de gewone mensen die het land bevolkten. In dat jaar was de Republiek in oorlog geraakt met Engeland. De bisschop van Munster – Bommen-Beernd – zag zijn kans schoon en schaarde zich in september 1665 onder de oorlogvoerenden. Radewijk heeft het geweten, want de boerenbevolking werd genoodzaakt om honderden soldaten inkwartiering toe te staan, anders gezegd: onderdak te bieden. Dat ging gepaard met grote schade, aangericht door de tientallen ruige manschappen van het leger. Erve Mas kreeg maar liefst een halve compagnie over de vloer. De soldaten bleven twee nachten en vernielden en verbrandden hooi, dakstroo en torf. De totale schade werd later door de oude Hendrik, vader van Gerrit Mas, geraamd op 14 guldens. Aanzienlijk groter moet de immateriële schade zijn geweest…

Deze oorlog had grote gevolgen voor de nabije toekomst van het erve. Doordat men nog geen vergoeding had ontvangen voor de geleden schade, kwam het getroffen boerengezin met schulden te zitten. Later dat jaar, 1665, zou als gevolg daarvan beslag worden gelegd op de roerende goederen van de familie Mas. Zo zeer zelfs dat de verschuldigde pacht niet kon worden voldaan. Noaber Goossen Hanekamp werd daarop gesommeerd zijn schulden aan de familie Mas af te lossen. Binnen drie weken werd daarmee de beslaglegging afgekocht.

In 1693 was Gerrit Hendriks Mas rotmeester van de buurtschap Radewijk. In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de inning van 10 Deventer stuyvers van sestien penningen ’t stuk, een soort grondbelasting, die door hem werd ingezameld en vervolgens naar de schout van Hardenberg, Johan Molckenbour, gebracht. Gerrits oudste zoon, Hendrik, moet enkele jaren daarvoor geboren zijn. Hij volgde zijn vader op als pachter van het erve Mas. Toen Hendrik twintig jaar oud was, trouwde hij in Hardenberg met Hendrikje Hannessen Niesink uit Collendoorn. Op 16 maart 1710 werd de ondertrouw ingeschreven. Het echtpaar werd gezegend met vijf kinderen waarvan er eentje op zeer jonge leeftijd overleed.

Na zestien jaar huwelijk bleek dat Hendrik Mas zijn pachtschulden niet altijd kon voldoen en ook hij ondervond daarvan de gevolgen. Eind 1727 deden de eigenaren, de gebroeders Assuërus en Gerhard van den Mariënberg, pandinge aan de roerende goederen van de familie Mas. Dat betekent dat de paarden, de overige beesten en het koorngewas als onderpand werden ingezet voor de betaling van de verschuldigde huur of pacht. Uit de pandinge blijkt overigens dat de familie Mas nóg een boerderij bezat of pachtte, namelijk de helft van het erve Lovelinck in Diffelen. Acht jaar later blijkt Hendrik Mas te zijn gestorven. Zijn weduwe, Hendrikje Niesink, gaf heer Gerhard van den Mariënberg indertijd het recht op haar vee, koren en andere roerende goederen, omdat ze de nog te betalen pacht nog steeds niet kon voldoen.

Het jaar 1749 vormde een nieuw noodlotsjaar voor het erve Mas, maar tegelijk een jaar waarin nieuwe hoop ontstond door de grote solidariteit van de Radewijker naobers met de lotgevallen van de Mas-bewoners. Klaarblijkelijk was het erve door een of andere ziekte onder het vee bijna opgehouden te bestaan. Om dit te voorkomen hielden alle Radewijker ingezetenen een inzameling van geld en vee in de omliggende dorpen en gehuchten. Buurman Jan Goossens Hanekamp bezocht de buurtschappen Ennevelde en Collendoorn en deed daar zijn omganck. Zo werd hem door de Collendoorners Jan op `t Holt, Nijsinck en Claasjan enkele stuks jongvee toegezegd. Noaber Jan Claessen Broekgeerts had op zijn beurt een omganck verricht in Lutten, Rheezerveen, Collendoornerveen en Heemserveen. Hierbij zamelde hij ongeveer vijftien guldens in voor de getroffen familie Mas. De inzamelingsactie zorgde ervoor dat het boerenleven op erve Mas kon worden voortgezet. Het mag gezegd worden dat Radewijk een lange traditie kent van effectief noaberschap, waarbij boeren elkaar te hulp kwamen als dat nodig was en met alle middelen ervoor zorgden dat de getroffene kon voortgaan met zijn bedrijf.

Zoals de pachters elkaar opvolgden op de boerderij, zo volgden ook de eigenaren elkaar op. In 1753 blijkt Gerhard van de Mariënberg te zijn gestorven. Zijn weduwe, Maria Westhof, en dominee Jan Jelle ter Poorten werden nu de nieuwe rechtmatige eigenaars. Jan Mas volgde zijn ouders op als boer en trouwde in 1761 met Hillegien Arends Carberien. De bruid was geboren op de Vilsterborg als dochter van luitenant Arend Jans Carberien en Aeltien Roelofs Buuls. Het echtpaar kreeg tussen 1762 en 1783 maar liefst negen kinderen: Hendrik (1762), Aaltjen (1764), Arend (1766), Hendrik (1769), tweeling Albert en Aaltjen (1772), Swaantje (1775), Jannigjen (1779) en Jan (1783). De eerstgeborenen, Hendrik en Aaltjen, zijn op jonge leeftijd gestorven.

Een keerpunt in de geschiedenis van het erve Mas of Masman is het jaar 1774. Op 9 december van dat jaar werd het erve voor het eerst sinds haar bestaan eigendom van de bewoners. Op 25 mei daaraan voorafgaand hadden Jan Mas en Hillegien Carberien het erve bij publieke verkoping weten aan te kopen. Burgemeester Barent van Borne droeg het erve over namens zijn volmachtgevers, de erfgenamen van wijlen Geertruid Smook, weduwe van wijlen predikant Jan Jelle ter Poorten. De aankoop leidde er wel toe dat ze geld moesten lenen. Geldschieters waren Gerrit Venebrugge en diens vrouw Gesina Noorink. In totaal leenden ze ƒ. 4400,-. Het erve zelf gold als onderpand voor de lening. Om de aankoop te kunnen financieren werd enkele dagen later een hypotheekakte geregistreerd waarbij Jan Mas en Hillegien Arends het erve Mas als onderpand stelden voor de door hen van Gerrit Venebrugge en echtgenote Gesina Noorink geleende 4400 carolyguldens.

Dochter Aaltjen Mas, geboren in 1772, trouwde met Jan Hermen Kloekhorst uit ’t Laar en vertrok daarmee uit Radewijk. Dochter Swaantje werd de vrouw van Hendrik Holter uit Ane. Aanvankelijk vestigde men zich op de ouderlijke boerderij van de bruidegom, maar na enige tijd verhuisden ze naar Radewijk-Achterin, naar de katerstede Klein-Takman. Jongste dochter Jannigjen trouwde met schoolmeester Gerrit Lambers uit Den Velde. Derhalve bleven er alleen nog maar vier jongens over op het erve Mas. Geen van allen bleek gelukkig in de liefde. Ze bleven vrijgezel en runden gezamenlijk de boerderij.

De oude Jan Mas overleed in juni van het jaar 1790, op 72-jarige leeftijd. Weduwe Hillegien Carberien stierf bijna vijfentwintig jaar later, op 21 april 1814 te huisnummer 9, het erve Mas in Radewijk. Een jaartje later, op 18 mei 1815, moest de benjamin van de familie, Jan Mas, zich verantwoorden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Deventer. Hij was in staat van beschuldiging gesteld voor het mishandelen van Jannes Waterink, ten huize van kroegbaas Gerrit Jan Snijders te Hardenberg:

Op laatstleden Paaschmaandag is tusschen Jan Mas en Jannes Waterink onenigheid ontstaan in ’t huis van tapper Snijders, waarop dezelven elkander hebben aangegrepen zonder dat het gebleken is wie zulks het eerst gedaan hebbe. Dat zij daarop elkanderen vasthoudende buiten de deur zijn geraakt en de beklaagde een stoot in het aangezicht aan Waterink heeft toegebragt, waarvan deze is ter aarde gevallen en gebloed heeft. Overwegende dat het daarvoor moet gehouden worden, dat de beklaagde dezen stoot aan Waterink heeft toegebragt ter zijner verdediging met oogmerk om zich van denzelven te ontslaan. Overwegende met betrekking tot het regt, dat er geen wanbedrijf bestaat wanneer de verwonding of slagen zijn toegebragt uit noodweer ter verdediging van zichzelven volgens artikel 328 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelukkig werd Jan Mas door de rechter vrijgesproken, vermoedelijk omdat deze ook wel begreep dat er enige drank en zeker geen kwade opzet in het spel was.

Op 13 november 1837 werd op ’t erve Mas een publieke verkoop gehouden door notaris Swam uit Gramsbergen. Op verzoek van dienstknecht Jan Bekman veilde hij zo’n twintig schapen (aktenr. 725, scan 156).

Zoals gezegd bleven de gebroeders Mas de landerijen gezamenlijk bewerken. Drie jaar na de rechtszaak overleed Jan Mas. Hij was slechts 34 jaar oud. Broer Arend overleed in januari 1838. Twee maanden later werden vierentwintig schapen en drie lammeren verkocht. Waarschijnlijk was Arend Mas tot zijn overlijden toe schaapherder. Tijdelijk werd nu Hendrik Kampman aangesteld als scheper van de Mas-kudde. De nieuwe eigenaren van de schapen waren de Radewijkers Goossen Hanekamp, Hendrik Ligtenberg, Hendrik Schutte, Lubbert Ymhoff, Jan Hendrik Hankamp, Hendrik Ekkelenkamp, Willem Bouwmeester, Egbert Hutten en Jan Jonkhans.

De samenwerking tussen de gebroeders was niet erg succesvol. Geleidelijk aan werden alle eigendommen van de gebroeders Mas onder de hamer gebracht. Even voordat Albert Mas, een van de twee overgebleven broers, kwam te overlijden, werden koeien, paarden, boerenwagens, eggen en ander klein gereedschap geveild voor een totaalbedrag van ƒ. 947,30. Nog geen maand later overleed Albert, op vier maart 1845. Zou hij het hebben zien aankomen?

In 1844 was het de gebroeders Mas kennelijk naar het hoofd gestegen. Om onduidelijke redenen leek het hen niet langer nodig om jan en alleman de Masbrug te laten passeren. In het archief van de gemeente Ambt Hardenberg is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat medicinae doctor Frans Willem van Riemsdijk op een goede dag met de koets op weg is naar een patiënt in Radewijk. Bij de Masbrug aangekomen blijkt dat deze is afgesloten door twee slagbomen, waarvan eentje zelfs voorzien van een groot hangslot. Al vijftien jaar lang had de dokter ongehinderd de brug kunnen passeren en nu was deze plotsklaps afgesloten. Navraag bij de gebroeders Mas leverde op dat zij de eigenaars en onderhouders van deeze brug waaren en dat zij deeze eigendunkelijk konden sluiten en loslaten en de passage naar verkiezing konden gunnen. Van Riemsdijk kreeg dus nul op zijn rekest en werd genoodzaakt een andere route te kiezen. De dokter, ook niet voor een gat te vangen, herinnerde zich dat hij vroeger wel eens bij Stubben de beek was overgestoken. Daar aangekomen bleek echter dat het water zo hoog stond dat hij zijn paard en rijtuig op het erve Stubben moest achterlaten. Te voet waadde hij door de beek, waarna hij zijn reis met grote vertraging kon vervolgen…

Hendrik Mas, geboren in 1769, werd daarmee de laatste mannelijke nazaat van het geslacht Mas. Hij stierf op 84-jarige leeftijd op 5 januari 1854 in Radewijk. Na zijn overlijden is het erve geveild: 114 kavels werden in februari van dat jaar ter veiling ingebracht. Daaronder bijvoorbeeld een dekenkist, diverse kledingstukken, een horologie, potten honing, een koperen wasketel, een spinnewiel met haspel, een lantaarn, een geweer, koffieketels, ijmen en schapen reupen. De opbrengst kwam ten goede aan de erfgenamen. Dit waren de dochters Mas met hun respectievelijke echtgenoten en nakomelingen. De landerijen van het erve Mas werden verkocht in een aparte veiling. Op 22 mei 1856 gingen vijftien percelen over in handen van nieuwe eigenaren. Jan Frans Heinrich Rusken, afkomstig uit het Duitse dorp Hebelermeer, werd eigenaar van het grootste deel van het erve Mas. Met de komst van Rusken deed een markant geslacht zijn intrede in de Roker buurtschap. Jan Frans kocht zes percelen voor ƒ. 8685,- waarbij het huis en erf waren inbegrepen. Andere kopers waren landbouwer Gerrit Jan Veldsink uit Radewijk en schoonzoon Gerrit Lambers uit Den Velde.

Op 2 april 1858 kreeg Jan Frans Heinrich Rusken officieel van Willem III, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg enz. enz., toestemming zich te vestigen binnen de grenzen van het koninkrijk der Nederlanden. De originele akte van toestemming is nog in het bezit van zijn nakomelingen. Zoals gezegd was Rusken afkomstig uit Hebelermeer. Dit dorp is gelegen ter hoogte van Zwartemeer en Klazienaveen, aan de Duitse kant van de grens. Jan Frans Heinrich werd er geboren op 2 maart 1807. Vanaf 1 mei 1857 woonde het gezin Rusken in Radewijk op het erve Mas.

In het jaar 1869 brandde het huis van de familie geheel af, het zoveelste Mas-drama… Er was niemand thuis, omdat men op het land aan het werk was. Van de inboedel kon niets worden gered. Gelukkig waren ze goed verzekerd. De geleden schade werd dan ook ruimschoots vergoed door de Nederlandse Brand Waarborg Maatschappij te Tiel. Tussen 1856 en 1871 kocht Rusken elders kennelijk meer grond aan, daar hij in april 1871 het huis met schuur, schaapschot, bouw-, wei-, hooi-, heide- en veldgronden verkocht aan Berend Theusink uit Duits Wielen. Alles voor een bedrag van ƒ 4.000,- De familie Rusken bleef echter in het bezit van een klein deel van het oude erve Mas.  Deze grond was gelegen binnen de gemeentegrenzen van Stad Hardenberg. Daar bouwden ze een nieuw boerderijtje dat door Jan Frans Heinrich Rusken, vrouw Maria Engela Gebben en zoon Bernard Heinrich op 25 november 1873 werd betrokken.

Berend Theusink, de nieuwe eigenaar van een groot deel van het voormalige Rusken-bezit kwam naar Radewijk vanuit Wilsum. Zijn geboorteplaats was echter Veldhausen, alwaar hij op 31 mei 1826 ter wereld was gekomen. Naast boer was Berend ook schapenhandelaar. Het gezin bestond uit Berend, Janna en vier dochters: Aaltien, Fenna, Janna en Geesien Theusink. Gezamenlijk kwamen ze te wonen op het erve Mas in Radewijk. Oudste dochter Aaltien trouwde in 1875 met Harm Woertel of Woerthuis uit Wilsum. De trouwpijp ter gedachtenis aan het huwelijk is nog in bezit van de familie Woertel. Harm en Aaltien Woertel bleven wonen op het erve Mas en kregen er zeven kinderen. De oudste zoon, Berend Woertel, volgde zijn ouders op als boer en trouwde met Jennigje Zweers, dochter van Berend Zweers en Berendina Johanna Meijer uit Radewijk.

 

Deze steen in de voorgevel van ’t Mas herinnert aan de herbouw in 1911 door H. Woerthuis en A. Teusink (Fotograaf: J. Woertel, Radewijk, d.d. 10-06-1990).

 

In 1925 werd Berend Woertel getroffen door een klap van een paard, toen hij het in de weide los liet. Hij overleed aan zijn verwondingen op 6 mei 1925. Weduwe Woertel- Zweers bleef achter met haar dochters en schoonouders. Ze kreeg een moeilijke tijd en om het zware werk te kunnen blijven doen moest er een knecht komen. Vanwege het huwelijk van dochter Aaltien met Gerrit Jan Bouwmeester, op 13 mei 1938, kreeg Jennigje het wat gerieflijker, omdat haar schoonzoon bij haar op het bedrijf kwam wonen.

 

Luchtfoto van ’t erve Mas, begin jaren ’50.

 

De naam Mas is intussen bijna in de vergetelheid geraakt. De Radewijkers spraken tot voor kort van Thuusink an de Bekke. Aaltien en Gerrit Jan Bouwmeester kregen twee zoons, Berend en Gerrit Jan. Berend werd boer op het ouderlijk bedrijf, samen met zijn vrouw Janna Geerligs. Aaltien Bouwmeester-Woertel werd vaak Uiltie van Thuusink genoemd, in plaats van Bouwmeester. Haar zoon werd dan ook vanzelf Beernd van Thuusink. Aaltien stierf op 23 mei 1997.

Een decennium eerder was de boerderij wegens omstandigheden verkocht aan René Ruiter uit Hellendoorn. Hij werd boer op het aloude erve Mas. Hedentendage herinnert er weinig meer aan de boerderij uit de middeleeuwen. Alleen de straatnaambordjes met de abusievelijke vermeldingen Mastdijk en Mastbrugweg (de t hoort in die namen eigenlijk niet thuis) geven nog blijk van wat eens geweest is.

Kadastrale geschiedenis

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 staat het erve vermeld als eigendom van landbouwer Arend Mas. De boerderij staat op legger 224 onder sectie D no. 116. Tegenwoordig moeten we het erf situeren aan de zuidzijde van de Radewijkerbeek aan de Mastbrugweg 1.