Hanekamp

Spreekwoordelijk bevestigt een uitzondering de regel. Daar waar alle oude erven van Radewijk in de directe nabijheid van de Radewijkerbeek gelegen zijn, ligt het erve Hanekamp al eeuwenlang op een zandhoogte in het westen van Radewijk, op een redelijke afstand van de beek. Vele eeuwen lang heeft het erve onderdeel uitgemaakt van de landbouwcultuur van Radewijk. Vanuit de voortuin biedt het erve een prachtig panoramisch beeld over de weiden, aan de linkerkant begrensd door molen Windlust en rechts de Mastdijk. De oude deel is zoveel mogelijk in haar waarde gelaten en de massief eikenhouten gebinten kregen een welverdiende plaats in de nieuwe bestemming van de Hanekamp.

Al in 1457 is het erve Hanekamp in de geschriften terug te vinden. Op dat moment werd het gepacht door Lambert ten Hanecampe in de marcke van Loezen ende Bodeler, zoals blijkt uit de verpondingsregisters. Slechts zeventien jaar later, in 1474, werd melding gemaakt van een pachter genaamd Geert ten Hancke en in 1520 zien we ene Aelbert opten Hanenkamp. Hij pachtte het erve voor 13 mudden rogge per jaar van de leenheer Johan van Ittersum tot Warckeren. Dezelfde Albert Hanekamp zien we terug in een zogenaamd interrogatoria of verhoorschrift. Op 3 augustus 1539 werd door de toenmalige schout Bruyn Blanckvoort een akte opgesteld waarin onder andere Albert Hanekamp getuigde inzake een ruzie tussen de markegenoten van Loozen (Radewijk en Gramsbergen) en Holtheme. Wellicht gaat het te ver om te veronderstellen dat we hiermee drie generaties hebben aangetoond: grootvader Lambert, zoon Geert en kleinzoon Albert Hanekamp. Veelal was er sprake van verschillende pachters die elkaar na enkele jaren aflosten.

De volgende anderhalve eeuw ging voorbij zonder dat er zich, voor zover bekend, veel bijzonders afspeelde op de Hanekamp. Pas in 1674 zien we de eerste vermelding in de kerkboeken. In dat jaar wordt het huwelijk voltrokken tussen Goossen Jansz Hanekamp en Swaantjen Jansen. Het huwelijk is ingeschreven in de boeken van het kerspel Heemse. Letterlijk schreef de dominee: Gosen Jansen, nagelaten soone van saliger Gosen tot Ravicke, ende Swaantjen Jansen, dochter van Jan Alberts op het Veen. In 1682 behoorde het erve Hanekamp volgens het vuurstedenregister toe aan de Heer van Gramsbergen. Goossen en Swaantje kregen meerdere kinderen, waarvan zoon Jan later het spil zou overnemen.

Zoon Jan Hanekamp trouwde in 1716 met Zwaantje Hendriks Jonkhans uit Duits Wielen. Het jaar erop werd het erve Hanekamp, dat tot dan toe nog altijd gepacht werd, voor de helft aangekocht door de bewoners, de familie Hanekamp, en het andere deel door Evert Stubben. De overdrachtsakte werd vastgelegd op 5 november 1717 door de toenmalige schout Johan Molckenbour:

Ick Johan Molckenbour, bij Commissie van Hoger Overigheijt in der tijd Scholtus van den Herdenbergh, Heemse en Gramsberge, doe mits desen te weten dat voor my en keurnoten nabenoempt, personelyck syn gecompareert en erschenen de Hoogh Welgeboren Heer, mijnheer Marcelis van Richardt, colonel te paerde, met mevrouw Maria Montarque, ehelieden, tutore marito, voor haer selfs en als volmaghtiger specialyck van desselfs suster mevrouw Sophia Elisabeth van Richardt, douairière van wijlen de heer overste Thomas Areskine, als erfgenaemen bij retour van vaeders syde, dewelken bekenden voor een somma van penningen, die den eersten met den laesten wel en wettigh en ten genoege waeren betaalt en voldaen, te cederen, transporteren en over te draegen, doende sulcks craght deeses, aen Evert Stobbeman en Jan Hanecamp, jeder huysvrouwen en erfgenaemen, eeuwighlyck en erffelyck te gebruiken, ieder voor de gereghte halfscheyt, het geheele erve en goet de Hanecamp genaempt, leggende in de boerscap Radewyck, desen carspele Hardenbergh, met alle derselver reght en geregtigheyt, raadt en onraedt, op- en dependentie soo en in dier voegen `t selve aen den huyse Gramsberge heeft toebehoort, en by de meyer is gebruickt geweest, en gelyck als op den 28e meert 1717 is ingeset en den 14e april daeraen volgende volgents voorwaerden en conditiën daervan gemaekt en ten overstaen van my Scholtes de slagh is gegaen.

Het echtpaar Jan en Zwaantje Hanekamp kreeg zeker vier kinderen. De oudste zoon, vernoemd naar opa Goossen, volgde zijn ouders op als boer op de Hanekamp. Goossen trouwde in 1744 met Fennegien Harms Grobbe van de Striepe. Door schout Voltelen werden de huwelijkse voorwaarden vastgelegd:

Ick Arnold Voltelen, wegens haar Edele Mogende Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, Scholtus van den Hardenberg etc., doe hiermede cond en certificere dat voor mij en keurnoten als waren Hendrik Schutte en Evert Otten, personelijk in den Gerigte erschenen sijn de ondergeschreven personen, welke verklaarden in de Vreese des Heeren en tot vermederinge des menschelijken geslagts met de naaste vrienden raat en consent, een wettelijk huwelijk gededingt en gesloten te hebben, tusschen Gosen Jansen Hanecamp, jongeman als bruidegom ter eenre, ende Fennegien Harmsen, jongedogter in desen met haar broeder Harmen Grobbe, als momber geadsisteert sijnde, als bruit ter andere zijde, en dat wel op navolgende voorwaarden:

Eerstelijk heeft Jan Gosens Hanekamp en desselfs huisvrouwe Swaantje Hendriksen, tutore marito, verklaart tot onderstand en voortsettinge deses huwelijks haren outsten sone de bruidegom in desen, met sijn gemelte bruit, met en bij haar in hare woninge, huishoudinge en bouwerije te nemen, om te samen in onderlinge liefde met de voornoemde bruidegom en bruit de tijd haeres levens te administreren en gebruiken, so als ouders en kinders moeten en behoren te doen. Edog na dode van gemelte ouders van de bruidegom, dan sal haren gehelen boedel en goederen, so meubile als immeubile, actien en crediten, niets uitgesondert, wat name sulks ook moge hebben, en sij komen natelaten, in vollen eijgendoom sijn en komen te vervallen en erven, met alle sijn schulden en lasten van dien, op de gemelte haeren outsten sone de bruidegom en sijne bruit in desen, en bij vooroverlijden op derselver kinders of erfgenamen.

Sullende de ouders van de bruidegom so lange als de regeringe van de huishoudinge en bouwerije an sig blijven behouden, jaarlijks an de bruidegom en bruit tot haar particulier sakgelt moeten laten genieten de opkomsten van drie schepel gezaij met 12 schapen in `t schot te onderhouden, en het 1/6 part van de ymen, met 10 elle doek en als de ouders van de bruidegom bij haar leven liever alle hare goederen, boedel en bouwerije an de bruidegom en bruit wilden overlaten, hetwelke sij ten allen tijden sullen kunnen en mogen doen, in vollen eigendom, alsdan sullen sij bruidegom en bruit gehouden wesen an hare ouders jaarlijks te moeten uitkeren, voor haar particulier sakgelt, het gene sij anders hierboven genoemt, souden trekken, en verders haar gemelte ouders alle liefde en hulpe in hare oude dagen moeten bewijsen, so als kinders an haar ouders sijn verpligt.

Verders sullen de bruidegom en bruit verpligt en gehouden sijn, an Hendrik, de broeder, en Swane, de suster van de bruidegom, an elk in voldoeninge van haare kinderlijke erfportie in haren gemelten ouderlijken boedel en goederen, niets uitgesondert, moeten uitkeren uit dese boedelspenningen, de somma van 250 carolyguldens eens, met elk dannogh een peert en koebeest, met wijders an elk behoorlijke beddinge, te weten elk 2 gestopte bedden met 4 lakens en 4 kussens en een peuluwe, en een nieuwe kiste, benevens behoorlijke kledinge als komen te trouwen; welke voorschreven gelden etc. an de gemelte broer en suster van de bruidegom sullen moeten worden betaalt al is het bij het leven en door haar ouders selfs, als eene of de andere sal komen te trouwen of anders als 29 jaren out sijn; sullende dannog de gemelte kinders so lange als ongetrouwt sijn, bij siekte in haar ouders huis van de bruidegom en bruit tot haar herstellinge toe worden versorget in cost, clederen etc. Waar en tegens bij overlijden aldaar alsdan het gene haar of hem hierboven wegens sijn of haar ouders goederen is belooft an de bruidegom en bruit sal vererven.

Verders sullen door de bruidegom en bruit tot onderstand deses huwelijks worden aangebragt alle haare hebbende en krijgende goederen, belovende de bruit mede te brengen an gelt 250 carolyguldens, met 3 koebeesten, met 2 guste beesten en 25 schapen.Eindelijk is nog geconditioneert, dat indien `t onverhopelijk mogte komen te gebeuren dat hij bruidegom of sij bruit, sonder kind of kinders uit dit huwelijk verwekt natelaten, mogte komen te overlijden, alsdan sal des eerststervende gehele nalatenschap in vollen eigendom komen en wesen vervallen op de langstlevende van haar beijden, en als sulks de bruit in desen is, dan sal deselve all is’t bij `t leven van de bruidegoms ouders ook weer op de plaatse het Hanekamps mogen trouwen.Aldus het voorschrevene gesloten, en hebben de comparanten verklaart dit also te samen in der minne en ter goeder trouwe te hebben geconvenieert, en belovende alhetselve stiptelijk te sullen agtervolgen ofschoon alle solemniteiten in regte nodig hierin niet mogten sijn geobserveert. In waarheids oirconde en sonder arg ofte list is dese van de bruidegom en bruit, ouders en naaste verwanten, nevens mij Scholtus getekent, en mede van mij Scholtus gesegelt, en omdat sij comparanten geen signetten sijn hebbende, so hebben sij mij versogt desen mede voor haar met mijn klein segel te besegelen. Actum Heemse, den 9 juny 1744.

Goossen en Fennegien kregen drie kinderen: Jan (1745), Fenne (1747) en Zwaantjen (1750). In 1746 kochten ze voor ƒ. 159,- een stuk grond, genaamd het Matien van Asse Berents en Lammegien Coertsen. Ze kochten slechts een-derde deel van dat land. De andere twee delen bleven toebehoren aan de families Venebrugge en Waterink. In 1769 en 1774 zou het echtpaar Hanekamp ook de twee andere stukken land in bezit krijgen. Het werd daarna ‘t Hanekampsmaetien genoemd. Het land werd begrensd door de Swijsemaete, de Radewijkerbeek en de Koninks-maete.

Uit een bewaard gebleven akte van 7 mei 1749 bleek dat Jan Goossens Hanekamp rond 1679 geboren moet zijn. Hij verklaarde namelijk in deze zogenaamde interrogatoria, in de seventigh jaer out te zijn. In het verhoorschrift gaf hij zijn verklaring af omtrent het houden van een collecte voor zijn noaber van het erve Mas. Deze hadden door een ziekte de gehele veestapel verloren. Ook gaf Jan aan dat hij enigszins van verre verwant was aan Gerrit Mas.

In 1757 werden Goossen en Fennegien testamentair erfgenaam van hun oom Egbert Goossens Hanekamp. Daarbij erfden ze het grootste deel van diens nalatenschappen. Het overige was gelegateerd aan Egberts halfzuster Jannegien Roelofs (weduwe van Evert Stubben), Berend Gorink te Wachtum (zoon van zijn overleden broer), Jannegien Snieders te Baalder (dochter van zijn overleden broer) en aan Zwaantjen van ’t Holt te Groningen (ook een dochter van zijn broer). Ieder van hen kreeg een erfenis van twintig carolyguldens.

Vijf jaar later kocht de familie Hanekamp de zogenaamde Veldmaate of Koninksmaete aan van Hendrik Harms Koning en diens echtgenote Janna Jansen. Het stuk land lag benoorden de Radewijkerbeek, naast het Hanekampsmaatjen, en besloeg een oppervlakte van ongeveer vijf dagwerken.

Het vrijwillig rechterlijk archief van ’t schoutambt Hardenberg bevat een akte, gedateerd 23 augustus 1770, geregistreerd op verzoek van Warsse Stobbeman en Goossen Hanekamp. Het betrof het charter van overdracht van het erve en goed de Hanecamp te Radewijk, door Marcelis van Richardt, kolonel te paard, met zijn ehevrouw Maria Montagne, voor zichzelf en als gevolmachtigde van zijn zuster Sophia Elisabeth van Richardt, douairière van wijlen Thomas Areskine, als erfgenamen bij retour van vaders zijde, wegens boedelslasten van Aletta Anna van Haaften, in leven vrouwe van Gramsbergen en Zalk, blijkens haar kwitanties ondertekend door de heren doctoren Bouwes en Putman. De kopers waren Evert Stobbeman en Jan Hanekamp, hun huisvrouwen en erfgenamen, ieder voor een halfscheid. Actum Hardenberg, 5 november 1717. De originele akte van transport was geschreven op francijn, waaraan waren hangende twee grote zegelen gedrukt in groene wasch

De oudste zoon van Goossen en Fennegien, Jan Hanekamp, trouwde in 1776 met Janna Hendriks Jonkhans uit Duits Wielen. Het echtpaar vestigde zich op de ouderlijke boerderij van de bruidegom. Op 19 oktober van dat jaar werden de huwelijkse voorwaarden vastgelegd door schout Jacobus van Riemsdijk. Getuigen waren de buren Jan Mas en Jan Veltman. Bepaald werd dat het jonge bruidspaar onmiddellijk na de voltrekking van hun huwelijk de gehele boedel en goederen van de ouders van de bruidegom zouden krijgen met alle lusten en lasten van dien. Daarentegen verplichtten zij zich om de vader en moeder van de bruidegom gedurende hun leven te onderhouden en versorgen bij haar in haare huishoudinge, in behoorlijke huisvestinge, cost en drank en linnen tot kledinge, so veel als nodig sijn. Ook zouden ze elk jaar voor hen een stuk land ter grootte van drie schepels moeten bezaaien met rogge of boekweit. Aan de twee zusters van de bruidegom, genaamd Fennegien en Zwaantien Hanekamp, moest vijfhonderd gulden worden uitgekeerd zodra ze de leeftijd van 32 jaar zouden bereiken.

Jan en Janna Hanekamp kregen zeven kinderen waaronder zoon Goossen die op 13 juni 1779 in de kerk te Hardenberg gedoopt werd. De opmerkelijkste nakomeling was echter Berend Jan Hanekamp, die in 1788 ter wereld kwam. Over deze man is een merkwaardig verhaal bekend. In de archieven van de gemeente Hardenberg vonden we een brief waaruit bleek dat Berend Jan, als conscrit (militair in Franse dienst) van de lichting van 1808, niet was komen opdagen. Hieronder geven we de brief weer die de burgemeester op 29 november 1811 aan de Rijks-Ridder, Lid van ’t Legioen van Eer en der Orde van de Unie, de Prefekt van ’t Departement der Monden van den IJssel schreef:

Mijne Heer den Prefekt! Ten gevolge van uw missive van den 27 deezer hebbe ik dadelijk den Boode mijner Mairië geadsisteerd door een gensdarme, naar de bouwhoeve Hanekamps in de buurtschap Radewijk, dezer gemeente, afgezonden, ten einde aldaar ten huize zijner ouders onderzoek te doen na den conscrit voor de klasse van 1808 van dit kanton, Berend Jan Hanekamp, en wijders zo als den zelven niet mogten vinden, deszelfs vader na herwaards meede te brengen, om van denzelven eenige informatiën van gezegden zijnen zoon te bekoomen. De boode dan denzelven Berend Jan Hanekamp, ondanks alle de door hem en den gensdarme gedaane nazoekingen, aldaar niet vindende, heeft diens vader voor mij gebragt, en alle de door mij van denzelven ingewonnen informatiën bepaalen zich slechts daartoe, dat hij niet anders weet als dat zijnen gemelden zoon op de daartoe aan hem onlangs gedaane oproeping naar Zwolle is vertrokken, aldaar billet voor twee nagten heeft ontvangen, doch inmiddels, volgens algemeen gerucht zoude verdronken zijn; hebbende hij verders niets van hem nog zijn goed vernoomen, nochte ook eenige informatiën daar omtrent gedaan, uit hoofde het hem voorkwam dat zulks toch niet zoude kunnen baaten en hij overigens ook niet wiste, waar die informatiën te zoeken. Het is waar, Mijn Heer de Prefekt! dat het algemeen gerugt denzelven Hanekamp alhier te Zwolle heeft doen verdrinken, en zelfs heeft eenmaal een zijner zwaagers aanvraage bij mij gedaan of den officiële berigt ontvangen hadde, dan de weinige bekommernisse die zijn famillie toonde om zulks zeker uit te vorschen heeft mij altoos dit gerugt, voor uitgestrooyd doen beschouwen, en het is dan ten gevolge, dat herhaaldelijk in de buurtschap Radewijk hebbe doen veilleeren om te ontwaaren of zich Berend Jan Hanekamp ook weder aldaar bevond of gezien was, daar het toch, volgens algemeen zeggen, zeeker was dat hij zich niet meer te Zwolle bevond en ook aldaar vermist was. Daar ik intusschen geene nadere sommatie nopens den zelven, streelde ik mij ook nog al met de hoop, dat naar zijne verdere destinatie was afgezonden en aldaar aangekoomen zoude zijn, dan te vergeefsch, zo als uit uwe voormelde missive ontdekte.

Deeze Berend Jan Hanekamp nu bij besluit van den heer Onderprefect van 30 augustus opgeroepen zijnde om den gereformeerden conscrit Hendrik Jan Meijerink bij de Marine te vervangen, is ook werkelijk den 10 daaraan naar Zwolle vertrokken, hebbende hem ook nog een brief meede gegeeven aan den Capitain der reserve compagnie ter aanbeveeling in zijn voorneemen om zich bij ruiling onder dezelve te doen plaatsen, en het is zedert dien tijd dat niets, dat ’t algemeene gerugt van verdrinken, van hem vernoomen hebbe. Uw excellentie ziet uit dit narrée, dat mij buiten staat bevinde aan deszelfs orders van voornoemden B.J. Hanekamp ten spoedigsten na Zwolle op te zenden te voldoen, en het is niet dan met de grootste aandoening dat terug zie op zekeren arme en reeds bejaarde familie Ten Broeke alhier, wiens zoon de plaats deszelven Hanekamp zal moeten vervullen, en ook deeze uitrekkende, zullen er slechts twee der tot den dienst bekwaam geoordeelde conscrits uit dit kanton over de klasse van 1808 overig blijven.

De desertie het nadeeligste effect voor de conscriptie hebbende, wende alle moeite aan de deserteurs op te spooren, dan zij vinden te veel schuilplaats in het departement van de Lippe, speciaal dat gedeelte het welk men Nieuw-Engeland noemd en aan deeze zijde der Eems ten oosten het departement der WesterEems, na de zijde van Schoonebeek, Emmen en Roswinkel geleegen is – en ik geloof, dat om te ontdekken of dezelve zich aldaar of elders bevonden, het beste middel zoude zijn – derzelver ouders, ’t zij door confinement of beïnkwartiering te noodzaaken, dat derzelver tegenswoordig verblijf (de boerenjonge deserteerende, loopt toch eerst na zijn geboorteplaats en ouders terug) opgaaven of immers hunne onbekendheid daaromtrend probeerden terwijl ’t ook niet missen konde dat hunne situatie aan hunne weggeloopene zoonen ten ooren koomende, deeze zich zelven zouden opdoen en uitleveren, om hunne ouderen situatie te verligten. Waarmeede eerbiedigst verblijve. De Maire Antoni van Riemsdijk.

Twee weken later schreef Van Riemsdijk opnieuw een brief aan de onder-prefect waarin hij vermeldde dat nog altijd geen zekerheid kon worden gegeven over het feit of Berend Jan Hanekamp inderdaad verdronken was of niet. Ondanks verschillende onderzoekingen en naspeuringen bij de naburen Veltman, Mas, Haberts (Stubben) en Roelofs (Broekroelofs) in de buurtschap Radewijk was het nochtans vruchteloos ge weest. De landbouwers verklaarden eenstemmig niet anders te weten dan dat Berend Jan Hanekamp te Zwolle was verdronken. Tevens gaven zij geen waarde aan het gerucht dat de verdronkene sedert zijn vertrek naar Zwolle alhier op sommige plaatsen weer gezien zou zijn. Het lijk van de verdronkene was nog altijd niet opgevist. Derhalve bevreemdde het de Maire zeer dat de ouders van Berend Jan niet naar Zwolle waren afgereisd om al het mogelijke te doen ten einde hun zoon, dood of levend, terug te vinden. Het onderzoek naar de ‘deserteur’ Hanekamp werd dan ook in alle hevigheid voortgezet.

Wonder o wonder verscheen de verdronken Berend Jan Hanekamp later gewoon weer in Radewijk, alsof er niets was gebeurd. Hij heeft zich op een slinkse manier weten te onttrekken aan de dienstplicht onder de Franse overheersing. In oktober 1825 liet hij bij opbod een groot aantal schapen veilen. In het notarieel archief vonden we dat ten huize van kastelein Evert Kamphuis in Gramsbergen voor een bedrag van ƒ. 78,50 maar liefst 29 schapen van eigenaar verwisselden. Twee jaar later, in 1827, verscheen Berend Jan voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om aangifte te doen van het overlijden van zijn vader Jan Hanekamp op 24 februari. In de herfst van 1829 klopte Berend Jan Hanekamp aan bij burgemeester Antoni van Riemsdijk om aangifte te doen van inbraak in zijn woning nummer 10 in Radewijk. Hij gaf klaaglijk te kennen dat ’s nachts uit een kamer van zijn woonhuis enkele voorwerpen ontvreemd waren die toebehoorden aan hem en aan zijn bij hem inwonende zuster Hendrika Hanekamp en zijn broer Goossen Hanekamp en schaapherder Arend Hutten. Zo vermiste men:

Een paar groote vierkante zilverene gespen, met ijzerene beugels en tongen, zijnde effen gewerkt en gemerkt: B.I.H.K (de initialen van Berend Jan HaneKamp), waaraan als bijzonderheid de uitscheuring van het zilver aan de rechtergeps benedenwaards bij de beugelstift en deze omwinding met carcasdraad ter wederbevestiging derzelve stift; een paar mansschoenen, waarop de voormelde gespen waren zittende; een paar zilveren gespen, kleinder soort, langwerpig vierkant, meede effen, behalven dat boven en beneden in de midden drie rafetjes waren gewerkt en zijnde deze gespen meede van ijzeren beugels en tongen voorzien, en gemerkt H.H.K. (initialen van Hendrica HaneKamp); één paar vrouwenschoenen, waarop de laatstgemelde gespen waren zittende; een blaauwe sergen mansborstrok met twee rijen witte beenenknapen en met linnen gevoerd; twee manshembden zonder merk; twee vrouwenhemden beide met roode zijde, gemerkt H.; een roode baaijene vrouwenrok, – een blaauw wollen voorschoet; een paar bruine lederne bretelles en een mes met een bruin houten heft met een geel koperen bandjen en zijnde het lemmet gemerkt met het afbeeldzel van een pistooltjen; behorende dezelve bretelles, en mes, hebbende in eene bruine lederne scheede gestooken, aan zijnen voorzeiden schaapherder, wiens overige voor de hand liggende kledingstukken door den dief of dieven wel meede naar buiten `s huis waren gesleept, doch door dezelve aldaar waren laten liggen.

De dief of dieven waren de kamer binnengekomen door middel van braak en braken aan de zuidwestelijke hoek van de kamer onder aan de grond met behulp van een dissel-hamer en dissel-boom – die ze uit een buitenshuis staande wagen hadden genomen – een gat door de muur. Zo kwamen ze in de kamer, zonder echter ontdekt te worden door de schaapherder Arend Hutten en de knecht Hendrik Klinge, die beiden in de kamer sliepen. Men had geen enkel vermoeden wie de dader of daders konden zijn. Ze hadden buiten wel een groot zakmes met een bruin houten heft gevonden. Het leek eerder een boerenmes dan dat van een vreemde landloper of dief. Het bewijsstuk werd bij de burgemeester in bewaring gegeven.

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 staat het erve vermeld als eigendom van de erfgenamen van Jan Hanekamp. De boerderij staat op legger 125 onder sectie D no. 35. Een van de erfgenamen was Berent Jan Hanekamp die in 1833 trouwde met Hindrikjen Roelofs uit Esschebrügge bij Emlichheim. De huwelijkse voorwaarden tussen bruidegom Berend Jan Hanekamp (wonend op de Hanekamp, huisnr. 10) en bruid Hindrikjen Roelofs, gedateerd 18 juni 1833, zijn bewaard gebleven in het archief van notaris Antoni van Riemsdijk (aktenr. 1049, scan 68).

Helaas werden uit dit huwelijk geen kinderen geboren. Op vijftigjarige leeftijd overleed Berend Jan op 26 juli 1839, waarna zijn weduwe binnen het jaar hertrouwde met Hendrik Jonkhans van ’t Broens uit Diffelen. Hendrik had op dat moment al vijf jaar lang het vaderland gediend als soldaat van de 18de afdeling infanterie. Uit zijn signalement bleek dat hij 1 el en 579 strepen lang was. Hij had een rond aangezicht, smal voorhoofd, blauwe oogen, dikke neus, ordinaire (gewone) mond, ronde kin, zwart haar en zwarte wenkbrauwen.

Door dit huwelijk verscheen voor het eerst in eeuwen een andere familie op de Hanekamp. Op dat moment woonden zwager Goossen Hanekamp en schoonzuster Hendrika Hanekamp nog bij hen in. Deze overleden respectievelijk in 1845 en 1858, waardoor het gehele geslacht Hanekamp uit Radewijk was uitgestorven. Uit het tweede huwelijk van Hendrikjen Roelofs met Hendrik Jonkhans werd een zoontje geboren, die Berend Jan werd genoemd, naar de overleden echtgenoot van Hendrikjen. De kleine werd slechts elf dagen oud. In 1853 overleed Hendrikjen zelf aan de gevolgen van tuberculose. Haar echtgenoot stapte twee jaar later in een nieuw huwelijksbootje met een echte Radewijkse boerendochter, namelijk Janna Klinge. Op 10 november 1855 werd het huwelijk ingezegend in de Hardenbergse kerk. Zij kregen drie kinderen waarvan de jongste zoon, Egbert Jan Jonkhans, later het erve Hanekamp zou overnemen.

De geboorte van zoon Egbert Jan, op 11 december 1860, verzwakte het lichaam van Johanna Jonkhans-Klinge dermate, dat ze zes dagen later in het kraambed overleed. Binnen een half jaar trouwde Hendrik Jonkhans met zijn derde vrouw, Fennigjen Hutten uit Baalder. Samen kregen ze nog vier kinderen.

Enkele jaren daarvoor, in 1856, had Hendrik Jonkhans een groot deel van de onroerende goederen van het erve Hanekamp in veiling gebracht. Vijf percelen die o.a. bekend stonden als den Nieuwenkamp, het Koelaand en de Grootemaat gingen voor een totaalbedrag van ƒ. 2.224,- over in handen van nieuwe eigenaren. In datzelfde jaar verklaarde hij aan veearts Jan ter Wielen uit Brucht een groot aantal bomen verkocht te hebben die op zijn erve wasschende waren.

Enkele maanden na het overlijden van zijn tweede vrouw liet Hendrik Jonkhans als vader en wettige voogd van zijn twee minderjarige kinderen Hendrik Jan en Egbert Jan Jonkhans, een boedelbeschrijving opstellen door de notaris. Als toeziend voogd was oom Berend Snoeijink aangesteld. De taxatie van de roerende goederen werd verricht door rentmeester Warner Creemer uit Stad Hardenberg. Zo vond men in de keuken: een klok, wijnglazen, een spiegel, een koperen strijkijzer, drie schilderijen een worsthoorn, een tinnen trekpot met comfoor, drie span bedden met toebehoren, een kinderstoeltje en een tas met zilveren beugel. In het kamertje achter de deur taxeerde men een bed met toebehoren, een vleeschton, een zaaivat en een paar gordijnen met val. In het kamertje onder de schoorsteen trof men een baktrog, drie spinnewielen, een oude leuningstoel en een muizenval aan. Daarna visiteerde men de melkkamer, de deel, het varkenshok en alle buitenshuis staande zaken zoals een kleedwagen, ploeg, twee eegden en enig paardentuig. Na het taxeren van alle roerende goederen ging men over op het vaststellen van de waarde van alle onroerende goederen. Het betrof het boerenerve, Hanekamp genaamd, bestaand uit een huis, erf, gras-, bouw- en hooilanden, bij elkaar staand en gelegen in de buurtschap Radewijk, tezamen ongeveer tien bunders groot en een stuk veldgrond in de marke van Gramsbergen, Loozen en Radewijk nabij den Hanenkamp.

Zoals gezegd nam Egbert Jan Jonkhans de boedel van zijn ouders over. Hij was voor de nationale militie ingeschreven voor de lichting van 1880. Bij de loting viel hem het nummer 72 ten deel. Vervolgens werd hij door de militieraad vrijgesteld van dienst, uit hoofde van de aanwijzing van zijn tweelingbroer. Hiermee werd zijn eveneens in 1860 geboren broertje Hendrik Jan Jonkhans bedoeld. Echter ze waren geenszins tweelingen. Hij huwde in 1881 met Berendina Eggengoor uit Gramsbergen, dochter van de inmiddels op ’t erve Veltmans woonachtige Albert Jan Eggengoor en Maria Habers. Samen kregen ze vier kinderen. Daar echtgenote Berendina op vrije jonge leeftijd kwam te overlijden, hertrouwde Egbert Jan in 1893 met Hendrikje Wolbink uit Baalder, dochter van Berend Jan Wolbink en Albertin van der Hulst.

De oudste zoon uit het eerste huwelijk, Hendrik Jonkhans, werd opvolger als eigenaar van het erve Hanekamp. Hij trouwde in 1912 met Mina Amsink en kreeg met haar acht kinderen. De oudste zoon werd Egbert Jan genoemd, naar opa die op dat moment 52 jaar oud was. Egbert Jan was de laatste boer op de Hanekamp, hij trouwde met Grietje Lenters en zij kregen twee kinderen: Mina (1943) en Hendrik (1953). Egbert (Ep) was een zeer ondernemend en goed boer, die met Grietje de Hanekamp verder tot bloei bracht. Samen met hun kinderen werkten zij jarenlang hard op hun karakteristieke boerderij. Egbert kon wel eens koppig zijn, maar dat duurde nooit lang, want altijd weer eindigde het conflict met de van hem bekende vrolijkheid. Opmerkelijk is dat Ep en Grietje op dezelfde dag trouwden als hun noabers, Egbert en Evertje Roelofs (alias van Been’n). Evertje en Grietje waren afkomstig van de Hoogenweg, alwaar zij terzelfder tijd verkering kregen met hun latere echtgenoten. Meer dan vijftig jaar lang hebben deze twee echtparen met elkaar geleefd, zonder dat er ooit een wanklank is gevallen. Ep overleed in 1997 op 84-jarige leeftijd. In 1993 verkocht de familie Jonkhans, inmiddels al op leeftijd, de eeuwenoude huisplaats aan de familie Vergouwen uit Alphen aan den Rijn. Jaap en Jos Vergouwen beleefden er met hun kinderen Maaike en Sophie prachtige jaren en genoten als niet-Rokenaren zeer van het moois dat de Hanekamp en Radewijk hen bood, trouw gesteund als zij altijd werden door hun noabers Gerrit Jan en Minie Roelofs.

Kadastrale geschiedenis

Bij de aanvang van het kadaster in 1832 werd de Hanekamp geregistreerd als sectie D-35.

 

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

 

Legger 125/9: Sectie D-35. Huis, erf en schuur. In 1850 boedelscheiding. Over op:
Legger 968/3: Eigendom van Hendrik Jonkhans (zie algemeen register der hypotheken, deel 80, nr. 19). Huisnr. I-7 en I-8. Vervolgens vererfde de Hanekamp op zoon Egbert Jan Jonkhans en echtgenote Berendina Eggengoor. Zij waren op 29 april 1881 getrouwd te Heemse. Berendina overleed op jonge leeftijd, waarna Egbert Jan op 19 mei 1893 te Heemse hertrouwde met Hendrikje Wolbink uit Baalder. In 1903 boedelscheiding. Over op:
Legger 6073/3: Eigendom van Egbert Jan Jonkhans en Hendrikje Wolbink (zie register van overschrijving hypotheken, deel 471, nr. 123). In 1911 gedeeltelijke sloop en verbouw. Over op:
Legger 6073/10: In 1912 herbouw. Over op:

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1912.

 

Legger 6073/11: Nieuwe sectie D-1377. Huis, schuur, erf en weiland ‘Voor in Radewijk’. In 1913 stichting schuur. Over op:
Legger 6073/12: In 1915 stichting. Over op:
Legger 6073/13: In 1917 vereniging van percelen. Over op:

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1914.

 

Legger 6073/14: Nieuwe sectie D-1415. Huis, schuren en weiland. In 1931 verkoop. Over op:
Legger 9816/5: Eigendom van Hendrik Jonkhans en Mina Amsink (zie register van overschrijving hypotheken, deel 762, nr. 96). Zij waren op 5 juli 1912 getrouwd te Heemse. In 1956 aanbouw. Over op:
Legger 9816/6: In 1966 verkoop. Over op:
Legger 14689/5: Eigendom van Egbert Jan Jonkhans (geb. 03-09-1912). In 1969 verbouwing. Over op:
Legger 14689/6: In 1980 opgenomen in de ruilverkaveling.

Tegenwoordig moeten we het erf situeren aan de Hanekampsdijk 2.