’t Broekgeerts of Geerts

De oude boerderij op ’t Broekgeerts, 3 februari 1985 (Fotograaf: J. Woertel, Radewijk).

De onoplettende voorbijganger zal het niet direct opmerken, maar het ligt er wel degelijk. Verborgen achter een groot aantal oude bomen vindt men aan de Radewijkerweg nummer 51 een prachtig bouwwerk, voorzien van een immens rieten dak. Het is het oude erve Broekgeerts, anno 1999 eigendom van de familie Snoeck, maar bij de Radewijkers is het beter bekend als de boerderij van doom’n Roelf en Swaantie. Het is nu zeker een van de mooiste woonboerderijen in de gemeente Hardenberg. De huidige eigenaren hebben de karakteristieke eigenschappen van de oude boerderij zoveel mogelijk in hun waarde gelaten.

Eeuwen geleden werd de braak liggende grond (broekgrond) in cultuur gebracht. Het was eigendom van de familie Zwijze. In het schattingsregister van 1520 staat dat Herman Berntssen de pachter was van des Wysenguet by den Broicke. Per jaar moest hij daarvoor 8 mud rogge betalen. De naam Broekgeerts is daarmee deels verklaard. Het Broek of den Broicke, was een vruchtbaar stuk land dat laag gelegen was. De aanvulling Geerts zal ontstaan zijn doordat een van de pachters waarschijnlijk Geert heette.

Op 29 april 1543 (de tijd waarin Radewijk behoorde tot het Rooms Keizerrijk) verscheen Hermen Berntss voor de schout van Hardenberg, Bruyn Blanckvoort, om een getuigenis af te leggen. Dit is een van de oudste akten over de Radewijker ingezetenen. Het blijkt onder meer dat Hermen tussen de vijftig en zestig jaren oud is en in Radewijk is geboren (dat moet dus rond 1480-1490 geweest zijn). Omdat dit document zo oud is, hebben we een transcriptie gemaakt van het oud-schrift:

`Ick Bruyn Blanckvordt Inder tijt Romsser Keisser ons aller gnadichsten lyeven heren richter te Hardenberch bekenne en betuge myt dussen apene bezegelden scyne dat voir my gecomme is int gerichte dair ick sath als ick myt rechte solde myt mynen kornote hyr nabescreven Hermen Berntss (op `t Broeckgeerts) to Radewyck geboren, olt synde tusscen vyfftich en tsestich Jare, Geerdt Henrickss to Wylen gebore, olt synde tusscen viertich en vyfftich Jare, Henrick Berntss (op `t Broeckroelofs) to Radewyck geboren, olt synde omtrent vyfftich Jare, Johan Henrickss to Wylen geboren, olt synde viertich Jare en becanden mytz ware worden lyfflicken over god en den hilligen zwerende dair sye vermytz ladinge edder dachleggung van de marckenrichter – dye scep’n van Hardenb. tsampt de gemen. erffg. van Hardenberch en Baler marcke myt verpeninge tgedrungen weerden dat hem allent wyttich en kundich is en hebn an dusse sake to wynne noch an desen so betugen sye en segn tsame dat sye vrye luede synne van vader en moder geboren en opgetogen to Radewyck en to Wylen belegen byder bepalinge der herscup van Benthem en hebn van junges op dair omtrent gewoent in de marcke van Radewyck, also dat bij horen gedencken vor Hardenberger marcke geholden weerdt, an dusse syde van den wech dye van Stalbring gaet op na Wylen an de Welle en voert de Welle lopende inde becke en wat beeste tusscen de becke, en dye Welle vort an dusse syde den wech plegen to come en uitheemsch weren plegen de scutters van Hardenberch tscutte wante dat Hardenberch ende Baler mercke geholden weerdt hebn oick tot genen tyden anders van horen voirolderen horen segn noch v’nome dat dye van Itterbecke ofte yemantz de vurscr. mercke becroendt hebben wante sye dagelicks hoire beeste en scape dair plegen thoe den onbekroindt van den Benthemsen, dan wante sye aver den wech vorgenompt plegen heyde to meyen off hoir beeste to weyden dye plegen de van Itterbecke wal tscutte dan mit an desse syt in Hardenberchger marcke, hebn oick de van Hardenborch de Welle helpen opruyme biss in de becke des sye vake plgen tdoin onbeswert van de Benthemscen of yemantz anders.

Oick is henn allen wall dat Hermen to Wylen nu woinafftich an gene syt der Sprinckborne off Welle plach to wonen an dusse syt in Hardenberger marcke en stait noch gein cluppel weegs voirder dant do stundt & want dat sticht van Utrecht seer gescattet weert voir hye om der scattinge wyllen over in Itterbecker mercke en plach to voren te Hardenborch to kercke te hore en doin gelycken eyn ander kerspelman.

Item noch tuget Hermen Berntss dat to Barlehair eyn monninck plach to wonne genompt Lubbert Mersing en was dair sceper dye plach Hermen vurscr. alletyt to jagen want hye myt syne biesten over den wech na Itterbecke qua dan want hye an dusse syde bleeff soe en plach hye noch nyemant wider graeffe up hem salcx to besperen want hye in Hardenberch en Balder mercke was dit allent hebn dusse gude luiden myt opgerichten vingeren gestavedes edes bezworen als sye recht is by wesent kornote Geerdt Woestcamp en Hermen van Ane. Noch tugede Johan Henrickss nu ter tyt wonende beyder sulver Wellen an dusse syt dan Hermen to Wylen plach to wonne dat hy te Hardenb. to kercken hort en alle scattinge en sculde myt den gerichte moet helpen utrichte. Orkunde der wairh. so dit sulve voir my richter vurscr. en vor myne kornoten en omstenders genoch opentlick getuget en bezworen is heb ick te orkunde myn segel beneden op Spat. des scyns gedruckt M. In de jair XV C en XLIIJ, den XXIX ten dach der maandt Aprilis’.

In het kort beschrijft de akte een verklaring van twee ingezetenen van Radewijk en twee uit Wielen. Zij delen mee dat zij vrye lude zijn – ze hadden geen verplichtingen tegenover een leenheer en hoefden dus geen herendiensten uit te oefenen. Verder geeft de akte duidelijkheid over de vanouds bestaande ongeschreven wetten aangaande het weiderecht van de markegenoten; een probleem dat in veel oude akten terug te vinden is. Generatie na generatie werd er gestreden over de rechten in de marke en de problemen met aangrenzende marken. Hermen Berntss (Broekgeerts) geeft verder te kennen dat op de Balderhaar een monnik woonde, genaamd Lubbert Mersing, die hem en zijn schapen altijd verjoeg.

Een halve eeuw later, in 1601, blijkt uit het verpondingsregister dat het erve Gerdt bij dath Broeck nog altijd toebehoorde aan de kinderen van des Wisen (Zwijze). De zeven mudden land waren geheel verlaten en werden niet gebruikt. In 1668 werd Geert by’t Broeck gebruikt als onderdak voor een halve compagnie soldaten van het regiment van de heer Graaf van Nassau. De inkwartiering zorgde voor een schade van 23 guldens en 10 stuivers aan stro, boter, brood en turf. Het erve Broekgeerts zien we in de boeken ook wel aangeduid als Baembroeck of Boven `t Broeck.

Uit het vuurstedenregister van 1682 blijkt dat ’t Broekgeerts niet meer in eigendom is van de familie Zwijze. Het werd niet langer gepacht, maar was bezit van de bewoners. Vier jaar later werd door Jan Hoeftman, als gevolmachtigde van Hendrick Campherbeke, verzocht om toestemming tot openbare verkoop van de roerende goederen van het erve Broekgeerts. Vermoedelijk hadden de eigenaren een achterstallige schuld die niet betaald kon worden. In 1688 wordt voor het eerst duidelijk wie de eigenaar van Broekgeerts is. Henrick boven `t Broeck laat in dat jaar beslag leggen op een stukje hooiland van Jan Geerts te Brucht.

Deze Hendrik Broeckgeerts had zeker drie kinderen: Grietien, Hendrick en Lambert. Zijn oudste kind, dochter Grietien, werd op 12 september 1680 gedoopt in Gramsbergen. Zij trouwde rond 1704 met Hermen Hermenszoon Scholtmann van de Heesterkante in Duitsland. 

Het echtpaar Hermen en Grietien Broekgeerts kreeg zeven kinderen: Grietje (1705), Hermen (1707-1708), Hermen (1709), Hendryk (1712), Henrickien (1714), Venne (1716) en Gerrith (1719). Hun oudste kind, Grietje Broekgeerts, werd boedelhoudster. Zij trouwde in 1730 met Jan Claeszoon Westerman uit Lutten, die introuwde op het erve Broekgeerts. De akte van huwelijkse voorwaarden tussen Jan en Grietje is bewaard gebleven.

Hierin staat beschreven dat het aanstaande bruidspaar alle eigendommen van de ouders van de bruid zou krijgen, waartegen zij beloofden aan de oudste broer Hermen Broekgeerts een bedrag van f. 150,- uit te keren zodra hij ging trouwen, alsmede een sog veulen, een koebeest en een bedde met sijn toebehooren (sijnde 2 lakens met 2 kussens, een peuluwe en bedde). Ook de overige broers en zusters kregen een som geld en enkele roerende goederen toebedeeld. Ook moest het bruidspaar beloven de genoemde broers en zusters van de bruid bij ziekte of bedlegerigheid in hun ouderlijk huis te verzorgen en verplegen. Mocht de zieke dan toch sterven, dan zou diens erfdeel vervallen aan het bruidspaar.

Ook oom Lambert Hendrikszoon Broeckgeerts woonde bij het jonge bruidspaar in en moest door hen verzorgd worden in cost en clederen. Na diens overlijden zou de nalatenschap vervallen aan het bruidspaar. Voor de moeder van de bruid werd geregeld dat zij jaarlijks de opkomsten van een halve mudde zaailand en een spint lijnzaad zou krijgen. Het bruidspaar beloofde haar de tijt haars levens te sullen verplegen in cost en an deselve alle liefde en hulpe in haere oude dagen te sullen bewijsen, so als kinders an haere ouders sijn verpligt. 

Een klein jaar na het huwelijk kregen Jan en Grietje Broekgeerts gezinsuitbreiding. De tweelingen Elisabeth en Hermen werden op nieuwjaarsdag 1731 gedoopt in de kerk van Heemse. Kort na de doop overleden de kleintjes. Daarna kregen ze nog vijf kinderen: Hermen (1732), Claas (1733), Hermen (ca. 1740), Geertje (1745) en Elijsabeth (1748). De oudste zoon, Hermen Broekgeerts, volgde zijn ouders op als eigenaar van erve Broekgeerts. Hij trouwde in 1775 met een echte Radewijkse boerendochter, Geesje Egbertsdochter Broekroelofs. In de huwelijksvoorwaarden werd bepaald dat het jonge bruidspaar de gehele boedel en goederen van de bruidegoms overleden vader Jan en nog in leven zijnde moeder Griete zou genieten en profiteren. Ter voldoening aan de kinderlijke erfportie moest het bruidspaar aan de broer van de bruid, Klaas Broekgeerts, een bedrag van f. 1000,- betalen zodra hij ging trouwen of ergens anders zou gaan wonen.

Uit het huwelijk van Hermen en Geesje Broekgeerts zijn zeven kinderen geboren: Jan (1776), Egbert (1778), Grietje (1780), Gerrit (1783), Grietjen (1785), Grietjen (1787) en Geesjen (1791). Op 24 november 1806 overleed de 66-jarige Hermen Broekgeerts. Een kleine acht jaar later stierf zijn weduwe, Geesjen Broekgeerts-Broekroelofs, op 67-jarige leeftijd. In augustus 1813 overleed de ongehuwde oom Claas Broekgeerts. Het erve werd toen alleen nog bewoond door de ongehuwde, nagelaten kinderen van Hermen en Geesje.

Opnieuw was het ’t oudste kind dat het erve Broekgeerts overnam. Zoon Jan Broekgeerts trouwde in 1815 met de zestien jaar jongere Fennichje Lefertsdochter Egberts uit Magelde bij Den Ham. Voor het huwelijk had Fennichje als dienstmeid gewerkt bij de familie Broekgeerts. Door notaris Van Riemsdijk werden de huwelijksvoorwaarden vastgelegd, waarin werd bepaald dat tussen bruidegom en bruid een algehele gemeenschap van goederen zou plaats hebben. Ook verklaarde de bruidegom een bedrag van f. 1250,- aan te brengen, welk bedrag naar zijn beste wetenschap de waarde van zijn eigendommen was. Hij bezat de helft van het erve Broekgeerts.

Het erve Broekgeerts bestond op dat moment uit een behuizing, schuur en schapenschot, zeven morgens zaailand en bijna vijf morgens hooiland. Door de broer en zuster van de bruidegom, Egbert en Grietjen Broekgeerts, werd onherroepelijk het recht op een-vierde gedeelte van de gehele inboedel van wijlen hun ouders afgestaan aan het bruidspaar. De boedel bestond onder andere uit: drie zwarte merriepaarden, een ruinpaard, twee vaalbonte melkkoeien, een zwartsprenkelde melkkoe, een witbonte melkkoe, een blaauwschimmelde melkkoe, vier zwartbonten vaarsen, een sprenkelde vaars, drie vaalbonte kalveren, twee zwartbonte kalveren, ongeveer vijfentwintig vijmen ongedorste rogge, acht vijmen boekweite en ongeveer negenduizend ponden hooij, twee beslaagene wagens, een ploeg en drie eggen, een hangklok, twee vuurenhouten neerslagtafels en acht stoelen, een baktrog en een meelzeef, een vleeschvat, twee spinnewielen, een haspel, twee vlaschharken en een volter.

Notaris Antoni van Riemsdijk hield op 16 maart 1820 een openbare verkoop van roerende goederen (aktenr. 138, scan 69) en op 19 augustus 1820 een openbare verkoop van ongeveer 50 vijmen in gasten staande rogge op ’t erve Geerts, op verzoek van Jan Broekgeerts (aktenr. 213, scan 194).

Jan en Fennichje Broekgeerts kregen slechts een kindje. Dochter Geesjen werd op 29 oktober 1820 geboren in huisnummer vier, het erve Broekgeerts, te Radewijk. Zij was nog maar drie jaar oud toen haar vader Jan Broekgeerts overleed. Weduwe Fennichje Broekgeerts-Egberts hertrouwde enkele jaren later. Notaris Antoni van Riemsdijk registreerde op 3 juni 1826 een akte, ’s morgens om 9 uur, in de kamer rechts de keuken van het woonhuis no. 4 op het erve het Geerts. Hij was verschenen op verzoek Fennichje Egberts, weduwe van Jan Broekgeerts, om een boedelinventarisatie op te maken van alle onroerende en roerende goederen. Daartoe behoorde o.a. het erve het Geerts te Radewijk, bestaande uit deszelfs behuizinge, schuur en schapeschot no. 4, met derzelver gronden en wheeren (aktenr. 557, scan 122). Fennichjes nieuwe echtgenoot was Gerrit Jan Camphuis uit Daarle. Op 15 juni 1826 werd hun huwelijk voltrokken voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Ambt Hardenberg. Notaris Antoni van Riemsdijk verleed daags ervoor hun akte van huwelijkse voorwaarden. Daarin werd o.a. bepaald dat de bruidegom 2500 gulden als bruidsschat in de boedel bracht. De bruid zelf bracht 1000 gulden in de gezamenlijke boedel (aktenr. 558, scan 118). Vier kinderen hebben ze gekregen: Jennigjen (1827, huwde Hendrik Bruggeman), Grietjen (1830), Jan Herm (1833) en Gerrit Jan (1836).

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 staat het erve vermeld als eigendom van landbouwer Gerrit Jan Kamphuis. De boerderij staat op legger 182a onder sectie D no. 85. Tegenwoordig moeten we het erf situeren aan de Radewijkerweg 51.

Zoon Jan Herm Kamphuis volgde zijn moeder op als eigenaar van het erve Broekgeerts. Zijn stiefzusje Geesjen Broekgeerts was al gehuwd met Gerrit Jan Snijders en naar diens ouderlijke boerderij de Sniederije vertrokken. In 1864 trouwde Jan Herm Kamphuis met buurmeisje Zwaane Schutte, afkomstig van de katerstede Klein-Takman. In datzelfde jaar trouwde ook broer Gerrit Jan Kamphuis met zijn uit Ane afkomstige bruid Johanna Hurink. Hij bleef aanvankelijk met zijn bruid wonen op ’t Broekgeerts. In de jaren zeventig van de vorige eeuw verhuisden zij naar de ouderlijke boerderij van Johanna, het erve Lösters of Loshaars in Ane.

Slechts een kind werd uit het huwelijk van Jan Herm en Geesjen geboren, Gerrit Jan Kamphuis (1865). Een jaar na zijn geboorte overleed vader Jan Herm Kamphuis. Hij werd slechts 32 jaar. Na het overlijden van haar tweede man, liet Zwaane Kamphuis-Schutte in 1867 een boedelbeschrijving opmaken door notaris Van der Muelen te Hardenberg. De taxatie werd verricht door de Radewijkers Gerrit Jan Jonkhans (erve Stubben), Hendrik Ligtenberg (erve Takman) en Jan Broekroelofs (erve Radewijk). In de keuken trof men onder andere aan: tien stoelen, drie tafels, elf schilderijen, vier koperen ketels, een geweer, twee rekken met lepels en twee blaadjes, drie boterschaaltjes, een klok, een kabinet met stelsel, een houboom en haalketting, een spiegel en twee glasgordijnen, een span bedden met twee bedgordijnen, een tabakskistje en twee schoorsteenkleedjes. In de kamer aan de noordzijde: een glazenkast met toebehoren, enige borden en schilderijen, een span bedden en twee bedgordijnen, een unster en twee spiegels. In de waschkamer: een koperen waschketel, drie potten en een koekepan, een lantaarn, een koffijmolen, twee lampen, een karn, kuven, bekkens en verdere melkgerei. In de kamer aan de zuidzijde: een span bedden en een kist. In de kamer op de deel: een span bedden. Op de deel: een kafmolen en een wan, een zaadkist, twee snijsompen met messen, vier wateremmers, twee ladders, twee zeissen, twee zigten, twee haartuigen en vier vlegels. In het bakhuis: enige waschtobben, een trog, een kist en een broodbank, een honigpers en een span bedden. Buiten het huis: negentien lammeren en achtentwintig schapen, negen schapen, zes biggen, twee varkens, vier ganzen, twintig kippen, een ploeg, zeven koeien, drie vaarsen, twee ossen, vier pinken, een stierkalf, drie kalveren, een zwart merriepaard, een zwart ruinpaard, een veulen, een kleedwagen, een lossen wagen en een daagse wagen. Alles tezamen gewaardeerd op f. 1865,45.

Twee jaar later, op 23 maart 1869, vond de taxatie plaats van de onroerende goederen van het erve Broekgeerts. De getaxeerde waarde minus de schulden bedroeg f. 11901,46. Het erve was opgedeeld in elf verschillende kavels. De eerste kavel bestond uit het huis en erf met schuur en schapenschot, grasgrond en bomen, ter grootte van 47 roeden. Weduwe Zwaane Schutte trad een maand later opnieuw in het huwelijk. Haar nieuwe echtgenoot was Jan Broekroelofs, afkomstig van het erve Broekroelofs uit Radewijk. Ze verhuisde naar de ouderlijke boerderij van haar echtgenoot en liet het erve Broekgeerts over aan haar zoon Gerrit Jan Kamphuis en diens echtgenote Johanna Hurink, die tot die tijd in Ane hadden gewoond.

Het echtpaar Gerrit Jan en Johanna Kamphuis zijn eigenaars van het erve Broekgeerts geweest tot in de jaren negentig van de negentiende eeuw. Hun neef Gerrit Jan, zoon van Jan Herm Kamphuis en Zwaane Schutte, was toen volwassen en oud genoeg om de boerderij over te nemen. Hij trouwde op 24 juli 1896 te Heemse met Evertje Veltink uit Collendoorn. Het echtpaar kreeg vijf kinderen: Jan Herm (1896-1978), Jan (1899-1899), Jan (1902-1990), Zeine (1905-1905) en Zwaantje (1906-1991). Van de vijf overleden er twee op zeer jonge leeftijd. De oudste zoon, Jan Herm Kamphuis, bleef zijn leven lang ongetrouwd. Hij was een echte natuurliefhebber. Zo zou hij nooit een tak van een boom zagen, laat staan een boom kappen. Hij heeft er mede voor gezorgd dat het erve Broekgeerts nog altijd geflankeerd wordt door eeuwenoud opgaand geboomte.

Gerrit Jan en Evertje Kamphuis lieten in 1928 een nieuwe boerderij bouwen door timmerman Geuchies. Voor f. 6000,- werd de woning gebouwd, geadresseerd aan de Radewijkerweg nummer 66. Het huis werd betrokken door zoon Jan Kamphuis, die in 1928 te Stad Hardenberg trouwde met Berendina Peltjes. Dochter Zwaantje Kamphuis trouwde op 17 oktober 1947 met Roelof Nijman uit Radewijk en zette met hem de oude boerderij van haar ouders, het erve Broekgeerts, voort. Zij waren de laatste bewoners van het Broekgeerts die het boerenbedrijf uitoefenden. Ze mochten helaas geen kinderen krijgen. Zwaantje Kamphuis overleed in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Roelof Nijman en Jan Harm Kamphuis bewoonden nog jarenlang samen de boerderij. Roelof was nogal hardhorend, waardoor hij vaak doom’n-Roelf werd genoemd. Hij overleed op 9 mei 1991 in het verzorgingstehuis Clara Feyoena Heem. Omdat ze geen kinderen hadden nagelaten, was testamentair bepaald dat de nalatenschappen geërfd werden door de kinderen van Jan Kamphuis en Berendina Peltjes, hun broer en schoonzus.

Deze kinderen, de ongehuwde Gerrit Kamphuis en diens broer Gerrit Jan Kamphuis en echtgenote Berendina Oldehinkel werden zo de nieuwe eigenaren van het oude erve Broekgeerts. Zij hadden geen belang bij de woning, wel bij de grond. Bij opbod werd ’t Broekgeerts in 1987 voor een bedrag van f. 89.000,- verkocht aan Hendrik Jan Lennips. Hij verkocht het door aan de familie Kranenburg uit Oegstgeest. Zij veranderden de boerderij in een particuliere woning, met behoud van het plattelandskarakter. Voor het eerst in eeuwen kwam het erve Broekgeerts zo in handen van een niet-Radewijkse familie. Een drietal jaren later is de kapitale boerderij doorverkocht aan de familie Kapteijn uit Amsterdam. Zij woonden er slechts twee jaar en verkochten het erve Broekgeerts in 1995 aan de huidige bewoners, de familie Snoeck.