Waterink

Ten zuiden van de Vecht, in de buurtschap Oud-Bergentheim, ligt sinds eeuwen het erve Waterink. Het wordt voor het eerst met naam genoemd in het archief van de proosdij van St. Lebuïnus in Deventer. Ene Egbert des Vresen werd op 25 september 1438 beleend met de helft van het eyghenen erve en gude der proestie, geheyten Wateringe. Op diezelfde dag werd zijn moeder Hille beleend met de andere helft. De splitsing van het Waterink heeft geduurd tot 1456 toen het klooster te Sibculo toestemming kreeg om het hele erve te kopen.

Uit de landelijk gehouden volkstelling van 1748 blijkt dat het Waterink bewoond en bewerkt werd door Jannes Waterink en zijn vrouw Geertien. Het echtpaar had vier kinderen: Jan, Jennegien, Hendrik en Marten. Jannes’ moeder Aaltien woonde bij hen in en werd voor de rest van haar leven in kost en onderhoud voorzien. De bewoners waren geen eigenaren. Zij pachtten de boerderij van de provincie. In augustus 1784 werd het erve weer in tweeën gesplitst, maar het bleef hofhorig.

Schout J.G. Pruim registreerde op 25 november 1797 een akte op verzoek van Derk Jan Meijerink, weduwnaar van Jennechien Holtink te Bergentheim, ter ene, en Jan Bloemendal en diens echtgenote Jennegien Willems, woonachtig te Meer bij Den Ham, als erfgenamen van hun moeder Geertjen Hansen ter andere zijde. Zij hadden onderling een vriendelijk accoord bereikt voor een onverbreeklijke maagescheidinge. Het betrof hun gezamenlijk bezeten halve volschuldige hofhorige erve en goed Waterink te Bergentheim, hetgeen gemeenschappelijk bezit was van Derk Jan Meijerink en wijlen Jennechien Holtink. Per direct zou Derk Jan Meijerink het gerechte een-vierde part van ’t Waterink, hetgeen aan Jennechien Holtink had toebehoord, en dat door diens overlijden was vervallen aan Geertjen Hansen, de moeder van voorzeide Jan Bloemendal. Daarvoor was Derk Jan verplicht om 1050 guldens uit te keren aan Jan Bloemendal en echtgenote.

De hereniging van ’t erve Waterink volgde in 1822 door de verkoop aan de bewoonster Hendrikje Jentink, weduwe van Albert Waterink. Notaris Antoni van Riemsdijk registreerde op 23 oktober 1822 een akte waarbij Jan Hendrik Meijerink, Hendrik Jan Leemgraven en echtgenote Gesine Meijerink, Derk Jan Jentingen en Annichjen Meijerink verklaarden hun gezamenlijke aandeel in de helft van het erve Waterink voor 1500 gulden te hebben verkocht en over te dragen aan Hendrikjen Jentingen, weduwe van Albert Waterink. Het Waterink bestond uit deszelfs behuizinge schuur en schaapskooij, genummerd 17 te Bergentheim (aktenr. 244, scan 44).

Op 12 juli 1827 verleed notaris Antoni van Riemsdijk de overdrachtsakte waarbij Albert van der Velde, winkelier te stad Hardenberg, zijn een-vierde whaardeel uit het erve Wiegmink te Bergentheim voor 93 gulden overdroeg aan Hendrikjen Jentink, weduwe van Albert Waterink. Van der Velde had dat kwart whaarsaandeel gekocht op de publieke veiling van het erve Wiegmink op 10 april 1826 (aktenr. 660, scan 117).

Bij de invoering van het kadaster in 1832 stond de boerderij in de zgn. ‘Roet en Mast Esch’ op legger 399 onder sectie H no. 189 ten name van Hendrikjen Jentink, de weduwe van Albert Waterink. De boerderij is nu geadresseerd aan de Brinkweg 6.

 

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

 

Op 16 mei 1838 verbleef notaris Antoni van Riemsdijk uit Hardenberg op ’t erve Waterink. Die dag registreerde hij het testament van Gerrit Jan Waterink, inwonend op ’t Waterink (huisnr. 17) te Bergentheim. Gerrit Jan was lichamelijk ziek, maar had z’n verstand nog volkomen (aldus de notaris). Hij lag in een bedstede in een zijkamer van ’t huis. Hij legateerde aan zijn nicht Janna Waterink, echtgenote van Jannes Hilbrink te Bergentheim (dochter van zijn broer Albert Waterink en echtgenote Hendrikjen Jentink) een stuk zaailand vóór op den Berg-Esch, ten oosten van en aan de zgn. Lutteke-Steege. Verder legateerde hij zeshonderd gulden aan andere naaste familieleden en aan zijn broer Gerrit Waterink, wonend op de zogenaamde Poll in Diffelen, een bedrag van 400 gulden. De diaconie van de kerk in Hardenberg vermaakte hij 50 gulden. Tenslotte institueerde en benoemde hij zijn broer Hendrik Waterink tot universeel erfgenaam van al zijn overige bezittingen (aktenr. 1292, scan 110).

Na het overlijden van Hendrikje Jentink, vererfde de boerderij op dochter Janna Waterink die gehuwd was met Jannes Hilberink uit Diffelen. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, maar die overleed al op jonge leeftijd. De boerderij ging daarom andermaal over in handen van een dochter en wel Aaltjen Hilberink en haar echtgenoot Gerrit Reinders, afkomstig van de Pothof in Anevelde. Bijna anderhalve eeuw bleef het Waterink vervolgens eigendom van de familie Reinders, maar de oude huisnaam Waterink is tot de dag van vandaag in zwang gebleven.

 

Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1880.

 

In de tijd dat het erve eigendom was van de in 1888 getrouwde Jan Reinders en Geesjen Zwijze, werd het grondbezit fors uitgebreid. Op het hoogtepunt bezaten ze ongeveer 180 hectare grond, gelegen bij de boerderij maar ook in het Bergentheimerveld. Na de kanalisatie van de Vecht, in het begin van de twintigste eeuw, kwam een deel van dat land aan Diffeler zijde te liggen. De gronden op de Marsch konden eerst nog door de koeien bereikt worden, omdat de Vecht lange tijd nog doorwaadbaar was. Toen dat niet langer ging en ook de melkbussen via een grote omweg naar de boerderij moesten worden gehaald, schafte de familie een boot aan waarmee ze de melk vervoerden wanneer de koeien aan de overzijde van de Vecht graasden. Jan Reinders was betrokken bij de oprichting van de Coöperatieve Boerenleenbank en de melkfabriek. Daarnaast was hij raadslid in de gemeente Ambt Hardenberg.

Jan Reinders en Geesjen Zwijze hebben de boerderij in 1912 laten verbouwen. Geesjen was geboren in Loozen, in een monumentale boerderij aan de Hardenbergerweg (nu Zwieseborg). Zoals men het daar had, met aangebouwde potstal, zo wilde zij het ook graag in Bergentheim. Vandaar dat er grote gelijkenis tussen beide boerderijen bestaat. Tegelijk met de realisatie van de potstal werd het voorhuis zo verbouwd dat het haaks op de achterliggende bedrijfsgedeelten kwam te liggen. De boerderij met dubbele schuur staat met de achterzijde – met de baander – naar de weg georiënteerd, met de noklijn haaks daarop. Het complex ligt karakteristiek in het essenlandschap van Oud-Bergentheim, rond een open plek met monumentale bomen. De laatste decennia werd het erve bewoond door het echtpaar Feddes-Reinders. Als derde uit een gezin van vier dochters trouwde alleen Gerry Reinders met een agrariër. Bernard en Gerry Feddes hebben de boerderij in 1985 in eigendom verkregen en samengevoegd met hun boerderij aan de Van Royensweg in Bergentheim. 

Van het erve Waterink is een waardevol huisarchief bewaard gebleven. De oude perkamenten documenten geven een beeld van de positie van het erve in de marke Bergentheim. De eigenaar van het Waterink was gewhaard in de marke en had daarom recht van spreken.

 

De achtergevel van de boerderij van ’t erve Waterink, anno 2007 (fotograaf: M. Mijwaart).