Lamberts

In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg wordt deze akte bewaard, gedateerd 12 juni 1784:
Ik Barend van Borne, van weegens hooger overigheid verwalter Scholtus van den Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere: dat voor mij en keurnooten, die waren Antonij Odink en Marten Odink, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn, de hier ondergetekende persoonen; dewelken verklaarden een wettig huwelijk gededingd en gesloten te hebben tusschen Harmen Wijgmink, jongman, als bruidegom ter eener -, en Jannegien Mollink, jongedochter, als bruid ter andere zijde, zijnde zij bruid ter dezer zaake geadsisteerd met haaren broeder Albert Mollink als haaren verkorenen en geadmitteerden mombaar; en zulks op conditien en voorwaarden hierna beschreven:

Eerstelijk is geconditioneerd, dat de bruidegom en bruid aanstonds na de voltrekking hunnes huwelijks zullen hebben en genieten, de gerechte halfscheid van den gehelen boedel en alle de goederen van des bruidegoms vader Hendrik Lambert Wijgmink en wijlen moeder Hillegien Marienberg, met de helft der schulden en lasten van dien, om dus dien boedel en goederen gedurende het leven van voorzeiden bruidegoms vader, met dezelve tezaamen in eene huishoudinge te administreren en te regeeren; en dat verders na het overlijden van gemelde des bruidegoms vader de andere gerechte halfscheid van den voorzeiden geheelen boedel en goederen, met de andere helft der schulden en lasten van dien, mede in vollen eigendom aan de voornoemde bruidegom en bruid, en bij vooroverlijden der eene de langstlevende van beide zal zijn vervallen. Uitgezonderd nochtans 1) het erve Lamberts te Bergentheim, zoo als dat door de meijer Jan Lamberts tegenswoordig gebruikt wordt, benevens twee dagwerken hooijland in den Rekum en zes schepels zaaijland de Woerte genaamd; het welke des bruidegoms broeder Hendrik Wijgmink in voldoeninge van deszelfs geheele erfportie van den voorzeiden geheelen boedel, goederen en nalatenschap, zal hebben te genieten, mits daarvan uitkerende aan zijn beide zusters Hillegien en Eva Wijgmink (die voor haare geheele erfportien van denzelven geheelen boedel, goederen en nalatenschap, genieten zullen yder eene summa van zestienhonderd guldens, door hunne drie broeders in voegen hierna zal gezegd worden te betalen) aan yder eenhonderd guldens. En 2) zoodanig aandeel als de bruidegoms vader, het zij alleene of met zijne kinderen, van het erve den Merjenberg toebehoord, met de geheele Marjenberger-tiende, grof en smal, welk een en ander exempt de overige zes dagwerken hooijland in den rekum die de bruidegom en bruid behouden zullen, des bruidegoms broeder Albert Wijgmink in voldoening evan deszelfs geheele erfportie van den voorzeiden geheelen boedel, goederen en nalatenschap zal hebben te genieten, mids daarvan afstaande, gelijk geschied bij dezen, alzoodanige vijfhonderd guldens als aan hem, bij zijne op den 8 maart jongstleden met Janna Bouwhuis voor dezen ed. gerichte opgerichtte huwelijksch-voorwaarden voor zijne erfportie van deszelfs moederlijke nalatenschap waren bewezen; en mits daarvan na doode van zijn vader Hendrik Lambert Wijgmink, uitkerende aan zijne zusters Hillegien en Eva Wijmink yder eenduizend guldens, en ook daarvan alsdan betalende zoodane capitaalen respective, als zijnen gemelden vader verschuldigd is aan Bruins te Diffelen ad vijfhonderd guldens, aan Jan Wolbink te Lutten ad tweehonderd en vijftig guldens, aan Jan Hendriksz. Balderhaar ad tweehonderd en vijftig guldens, aan des laatstgemeldens beide zoons ad eenhonderd guldens, en aan Jan Hendrik Heuver ad eenhonderd guldens, verschuldigd is. Alle met de interessen van dien. Zullende echter van het voorzeide aandeel van het erve den Marjenberg met de tiende grof en smal, alle opkomsten en profijten met de lasten van dien, worden genoten bij den voornoemden vader Hendrik Lambert Wijgmink gedurende deszelfs leven lang; en bij aldien het mogte gebeuren dat men onvermoedelijk mogte succumberen in de proceduure door de heer baron Du Tour op het goed den Marjenberg geëntameerd, of dat daarvan eenige kosten en schaden mogte komen, zoo zal zulks gezamenderhand door Harmen Wijgmink, Hendrik Wijgmink en Albert Wijgmink, na doode hunnes vaders worden gedraagen.

Waartegens ten anderen zij bruidegom en bruid verpligt zullen zijn uit te keren en te betalen aan de zusters van den bruidegom Hillegien en Eva Wijgmink, in voldoening van derzelver geheele erfportie van den voorzeiden geheelen boedel, goederen en nalatenschap, boven hetgeene als vooren door Hendrik en Albert Wijgmink daartoe aan haar zal moeten worden uitgekeerd, aan yder eene summa van vijfhonderd guldens; en als komen te trouwen daarenboven nog aan yder een onder- en een dobbelsteentjes overbedde, zes kussens met de sloopen, een peuluwe, zes beddelakens, dertig ellen vijftehalfvierendeels linnen, vijftien ellen gansoogen pellen, zwarte klederen met damasten rokken, en één koebeest; zullende de bruidegom en bruid de voorzeide vijfhonderd guldens aan elk, zoo lang als zij die blijven behouden, ’s jaarlijksch en alle jaaren tot de effective aflosse toe, die na voorgaande loskondiging of opzage van de een of andere zijde van een half jaar voor den verschijndag zal kunnen, mogen en moeten geschieden, verrenten met drie guldens van yder honderd; waarvan het eerste jaar interesse zal verschenen zijn op den 1 meij 1700 vijfentachtig, en zoo vervolgens continuëren. Ook zullen de voorzeide bruidegom en bruid nog moeten uitkeren en betalen aan de broeders van den bruidegom, Hendrik en Albert Wijgmink, boven hetgeene hiervooren aan hun is toegelegt, aan yder een enterpaard of daarvoor vijftig guldens elk, en aan den eerstgemelden daar benevens nog als hij komt te trouwen een behoorlijk bruidegomskleed.

Ten derden zal ‘er gemeenschap van goederen tusschen de aanstaande echtgenooten, de meergemelde bruidegom en bruid, plaats hebben en stand grijpen. En ten vierden zal de langstlevende der beide echtgenooten, indien uit dit huwelijk geen kind of kinderen mogten geboren en nagelaten worden, van de eerststervende, in vollen eigendom erven, profiteren ende genieten deszelfs of derzelver geheele nalatenschap, of alle goederen, roerende en onroerende, mobile en immobile, actien en crediten, die dezelve door de dood zal komen te ontruimen, niets uitgezonderd, zonder eenige uitkering daarvan te doen. Willende en begeerende alle de comparanten of hier ondergetekende persoonen, bruidegom en bruid, des bruidegoms vader voor zich zelfs en als vader en voogd zijner minderjarige dochters Hillegien en Eva Wijgmink, der bruids moeder onder adsistentie van Gerrit Nijman als haaren in dezen verkorenen en geadmitteerden mombaar, en voorts der bruids mombaar en des bruidegoms broeders en schoonzuster; dat al het voorschreeven alzoo geconditioneerde, zal worden nagekomen en achtervolgd, ofschoons alle solemniteiten in rechten anders wel gebruiklijk of noodzaaklijk daarbij niet waren geobserveerd. Des t’oirkonde hebbe ik verwalter Scholtus voornoemd deze nevens de comparanten eigenhandig getekend, met mijn zegel bekrachtigd, en omdat zij comparanten geene zegels en hadden, deze ook voor hun allen op hun verzoek gezegeld. Actum Hardenbergh den 12 junij 1700 vierentachtig.

De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief over ’t Lamberts dateert van 28 juni 1785:
Ik J.G. Pruim, van weegens hooger overigheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis, doe kond en certificere dat voor mij en keurnooten, die waren de heeren A. de Munnik en bmr. F. Bussemaker, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Jan Hendrik Egbertdink en deszelfs huisvrouw Berendiena Leemgraven, ehelieden; en Jan Hesselink en deszelfs huisvrouw Fennegien Egbertdink, ehelieden; en verklaarden zij comparanten, voor eene summa van koopspenningen, die den eersten met den laatsten van dien aan hun comparanten zijn voldaan en betaald, bij dezen in de beste en bestendigste forma landrechtens te transporteren en in vollen eigendom over te dragen, aan Hendrik Wijgmink, hun comparanten aandeel van het huis met de daarbij staande schuure tot het erve Lamberts te Bergentheim gehoorende, met hun geheelen in den Ekelkamp gelegen t’eindens het voorn. huis het Nieuwe Land gelegen in Waterink-kamp, de weide of hooijland bij voorn. huis geleegen, met een gaardentje, en een gaarden gelegen bij het bouwhuis, eenige hoekjes en een stuk lands genaamd de Borge, gelegen in den Ruit-Esch, een stuk lands den Haazeboom genaamd, het Heggestukke, het Lange Stukke, het achterste hoekje kortbij gem. huis, het Borgstukje, het Bergstukke gelegen bij den Baken-beld, de beide Vaarelstukken, de Woerte, een half dagwerk hooijland in de ochten-zijd, en het houtgewas bij het erve Lamberts gehorende, midsgaders vijf-achtste van een volle waare in de markte van Bergentheim; alles met zoodanig recht en gerechtigheid, raad en onraad, lusten en lasten van dien als daarbij voor hunne aandeelen is gehorende. Doende zij comparanten daarvan bij dezen afstand, oplatinge en vertichtenisse met hande en monde; hun en hunne erfgenamen daarvan ontërvende, en den voorn. kooper en betaaler Hendrik Wijgmink en derzelver erfgenaamen daar wederom aanërvende, met belofte om ook deze cessie en overdragt ten allen tijde te zullen staan wachten en waaren voor alle evictie en opspraake als naar Landrechte. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voorn. deze benevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd, en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel gezegeld. Actum Hardenbergh den 28 junij 1700 vijfentachtig.

Op diezelfde dag registreerde de schout nóg een akte waarin de comparanten verklaarden dat ze een jaar eerder, bij het maken van de huwelijksvoorwaarden tussen Harmen Wijgmink en Jannegien Mollink op 12 juni 1784, vergeten waren om te bepalen dat de keuterplaats Grendelman op de Mariënberg ook zou vererven op Albert Wijgmink en diens echtgenote…

Hendrik Wiegmink trouwde op bijna zes jaren later, op 5 juni 1791 te Hardenberg, met Elsjen Herms uit Lemele. 

 

 

Hun tweede kind, Geertjen, werd geboren op 14 november 1794 op het erve Lamberts te Bergentheim en twee dagen later gedoopt in de kerk te Hardenberg.

 

 

Op 25 juni 1830 verscheen notaris Antoni van Riemsdijk in huisnr. 20 op ’t erve Lamberts van Derk Plaggenmarsch. Daar compareerde (verscheen) voor hem Jan Winkelman, gepensioneerd schoolonderwijzer van Bergentheim en aldaar nog inwonende op het zogenaamde Meesters-plaatsjen, numero 19, bij landbouwer Hendrik Meulenkamp, hetzelve plaatsjen bewonende en gebruikende, om zijn testament op te laten maken. (aktenr. 882, scan 106).

Op de oudste kadastrale kaart van 1832 is ’t Lambers gesitueerd op de zgn. ‘Berg Esch’ en eigendom van landbouwer Derk Plaggenmarsch en echtgenote Geertjen Wiegmink. Zij waren op 28 januari 1814 te Hardenberg getrouwd.

Het erf is geregistreerd op legger nr. 275a in sectie H nr. 243. Het erf is nu geadresseerd aan de Brinkweg 7.

 

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

 

Notaris Willem Swam te Gramsbergen verleed op 5 mei 1835 een hypotheekakte (akte nr. 622, scan 84). Derk Plaggenmarsch en echtgenote Geertjen Wiegmink hadden 1075 guldens geleend van Lucas Hoenderken, burgemeester der stad Hardenberg. Tot zekerheid en waarborg (onderpand) stelden ze onder meer hun eigendommelijk huis, wordende door de comparanten zelven bewoond, met de daarbij staande schuur met den westwaards dezelve leggende kamp zaaijland, den Ekkelenkamp genaamd, alsmede twee percelen gaardenlanden ten noorden en zuiden van het huis leggende, verders met de hiertoe gehorende boschhegge, tezamen groot een bunder en vijftig roeden.