’t Loshaars of Wolbink

In het archief van het Huis Gramsbergen (toegang 220, inv.nr. 26) vinden we deze akte, gedateerd 31 januari 1646:
Alsoo die weledelgeboeren vrou Margarita van Asewijen toe Gramsbergen, vrou van Ruijnen etc. seeker erf tot Lotten heeft liggen genoemt Lossaers, welck sije sustiniert in die merckte van Aene unt Aenvelde meede gewaert toe weesen, doort verleggen van salige Statius van Asewijen, vant huijs Gramsberge, maer soo die bescheijden daer van ten deele sijen verlecht, soo hebbe ick ondergeschreven, met die Willem Blanckvoort toe Collendoren, afgespraeken ende geaccordiert, dat bij aldien aen mijen suster voorn(oemd) van die gemeene erfgenaemen, die selve waere wort gepassiert, ende dat zij in die possessie der selver waeren mag worden gemainteniert, om als een meede geerfde toe moegen gebruicken in Aene en Anevelde voor haer unt haer erfgenaemen, dat haer weled. neffens andere gewaerden, die gemeene marckte tegens alle ongewaerden, soo wel tegens die van Lotten, als anderen, sal helpen defendieren, ende dat hij j(onke)r Blanckvoort als dan wt danckbaerheijt, van mijen voors(chreven) suster (waer voor ick onderschreven de rato caviere) sal hebben ewiglick ende erflijck, om sijenen vrien willen daermede toe doen een slach, int veene tot deese waere behorende, toe weeten soedanich ende soo breet als tegenwoordig aen een jeder toe gelegt is, tot ontrent tijen roeden in die breete, regt opgaende, in alle reste die volle gerechticheit ant voors(chreven) erve Lossaers in veenen, heijden, weijden ende voors in die geheele marckte onvercortet. In oorconde der waerheijt, sijen hier van gemaeckt twe alleene luidende die welcke bij eijgenhanden sijen ondertekent op den 31 jan 1646. Josina van Assewijn en Gramsbarchg, W. Blanckevort.

In het vrijwillig rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg vinden we deze akte, gedateerd 3 mei 1760:
Ik Jacob van Riemsdijk, wegens hoger overigheid verw(alter) Scholtus van den Hardenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere bij desen dat voor mij en keurnoten, die waren dr. G. van Sambeek en Gerrit Vinken, personelijk in den Gerigte gecompareerd en erschenen is: de heer Michiel Radenga, commis van ’s Lands Finantiën te Dokkum in Friesland, voor sig selfs en als vader en voogd van sijn minderjarige zoon Engbert Michiel Radenga; en verklaarde hij comparant voor sig selfs en in voors(chreven) qualiteit, voor een somma van coopspenningen, die op heden aan hem den eersten met den laatsten van dien ten genoege sijn voldaan en betaald, bij desen in de beste en bestendigste forme Landregtens te transporteren en in vollen eigendom over te dragen aan Hermen Alberts Wolbink en sijn huisvrouw Fennegien Hannessen Odink, de geregte halfscheid van het erve en goed Loshaars of Wolbink genaamd, gelegen in de bourschap Lutten, met alle sijne daaronder gehorende landerijen, behuisinge en verdere getimmers; sijnde allodiaal goed, edoch thiendbaar, en met sijn regt en geregtigheid, raad en onraad, lusten en lasten van dien, en herenschattingen daarop staande, alles so en in diervoegen als het selve aan hem comparant en desselfs zoon in eigendom heeft toebehoord, en op den 3de october 1700 negenenvijftigh door hem aan gem(elde) coperen is verkogt. Doende hij comparant voor sig selfs en in voors(chreven) qualiteit van de geregte halfscheid van voorn(oemd) erve en goed Loshaar of Wolbink genaamd, bij desen afstand, oplatinge en vertichtenisse, met hande en monde, hem comparant voor sig selfs en in geseide qualiteit daarvan ontervende en de voorn(oemde) copers en betalers Hermen Albers Wolbink met sijn huisvrouw Fennegien Hannessen Odink en hare erfgenamen daar wederom aanervende; belovende hij comparant voor sig en in voors(chreven) qualiteit ook deze cessie en overdragt ten allen tijden te sullen staan, wagten en wharen, voor alle evictie en opsprake als na Landregte behoord. In kennisse der waarheid, is desen door mij verw(alter) Scholtus met den comparant voor sig selfs en in geseide qualiteit egenhandigh geteikend ende gezegeld. Actum Hardenbergh den 3den maij 1700 en sestigh.

En op 5 december van dat jaar werd deze akte ingeschreven:
Ik Jacob van Riemsdijk, wegens hoger overigheid verw(alter) Scholtus van den Hardenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere bij desen, dat voor mij en keurnoten, die waren bmr. B. van Borne en Herm. Amsink, in den Gerigte gecompareerd en erschenen sijn, Jan Hendrik Ulenberg en sijn huisvrouw Lubberta Overmarsch, tutore marito, Lubbertus Sierink met sijn huisvrouw Margareta Ulenberg, tutore marito, Bastiaan Meuhlberg en sijn huisvrouw Johanna Hendrika Ulenberg, tutore marito, de heer Jacob Ursinus Grevenstein, procurator te Zwoll, als cessionaris van desselfs vader en moeder, de heer convoijmeester A.U. Grevenstein en Aleida Margaretha Ulenberg, luid acte van cessie voor Schepenen der Stad Hasselt op den 22 maij 1700 agtenvijftig gepasseerd en uitgegaan, en op den 5. maij deses jaars alhier in den gerigte vertoond en gelesen; en eindelijk nog Hendrik Rompelman als gevolmagtigde van desselfs vader en moeder Christiaan Rompelman en Gerhardina Ulenberg, luid procuratie voor ’t Gerigte der Heerlijkheid Almelo, op den 1 deses maands gepasseerd en uitgegaan, alhier vertoond, gelesen en van waarden erkend. En verklaarden sij comparanten voor haar selfs en in gem(elde) qualiteit voor een somma van coopspenningen die aan haar op heden den eersten met den laatsten van dien ten genoegen sijn voldaan en betaald, bij desen in de bestendigste forme Landregtens te transporteren en in vollen eigendom over te dragen aan Hermen Alberts Wolbink en sijn huisvrouw Fennegien Hannessen Odink, haar eigendommelijke geregte halfscheid van het erve en goed Loshaar of Wolbink genaamd, gelegen in de bourschap Lutten, met alle sijne daar onder gehorende landerijen, behuisinge en verdere getimmers; sijnde allodiaal goed, edog thiendbaar, en met sijn regt en geregtigheid, raad en onraad, lusten en lasten van dien en herenschattingen daarop staande, alles so en in diervoegen als hetselve aan haar verkoperen in eigendom heeft toebehoord, en op den 4 januarij deses jaars aan gem(elde) coperen is verkogt, ingevolge daarvan opgerigte coopbrief. Doende sij comparanten voor haar selfs en in geseide qualiteit van gem(elde) geregte halfscheid van voorn(oemd) erve en goed Loshaar of Wolbink genaamd, bij desen afstand, oplatinge en vertichtenisse, met hande en monde, haar comparanten voor haar selfs en in voors(chreven) qualiteit daarvan ontervende en de voorm(elde) copers en betalers Hermen Alberts Wolbink met sijn huisvrouw en erfgenamen daar wederom aanervende; belovende sij comparanten ook dese cessie en overdragt ten allen tijden te sullen staan, wagten en wharen voor alle evictie en opsprake als na Landregte behoord. In kennisse der waarheid, is desen door mij verw(alter) Scholtus met de comparanten eigenhandig geteikend en gezegeld. Actum Hardenbergh, den 5den december 1700 en sestigh.  

Daarmee waren Hermen en Fennegien Wolbink volledig eigenaar geworden van ’t erve en goed Loshaar of Wolbink in Lutten.

De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief Schoutambt Hardenberg dateert van 15 juni 1792:
Ik G.J. Crull, wegens hooger overheid verw(alter) Scholtus des Cerspels Hardenbergh cum annexis, doe cond en certificeere dat voor mij en keurnooten, die waren Gerrit Willem Brand en Berend van der Hulst, persoonlijk in den Gerichte gecompareerd zijn Fennegien Odink, weduwe van wijlen Harmen Wolbink te Lutten, mitsgaders derzelver zoons Albert Wolbink en Hannes Wolbink, zijnde die beide meerderjaarig en zijnde zij Fennegien Odink geadsisteerd met pr(ocureur) J.H. Overmars als haren ter dezer zaake verkoorenen en geadmitteerden mombaar. Verklarende zij comparanten en wel de eerstgemelde Fennegien Odink mede namens haare nu nog minderjarige kinderen (ten wiens opzichte op haar comparant tot het passeeren dezer door den heer verw(alter) Landdrost van Zallandt op den 13den dezer behoorlijke qualificatie die alhier in judicio vertoond, gelezen en met het exhibitum hujus betekend is, is afgegeven) wegens opgenomene en aan hun verstrekte penningen oprecht en deugdelijk schuldig te zijn, aan den hoogwelgeboren gestrengen heer Coenraad Willem baron van Haarsolte tot den Doorn, Juliana Dorothea Hisk Maria d’Arnoud, ehelieden, eene capitaale summa van tweduizend vijffhonderd guldens, zeg f. 2500,-  Aannemende en belovende zij comparanten om dezelve capitale summa ’s jaarlijks en alle jaaren tot de effective aflosse en restitutie der penningen toe (dewelke na voorgaande opzage off loskondiging van een halff jaar voor den verschijndag zal kunnen en moeten geschieden) te zullen verrenten met drie en een halve gelijke gulden van elke honderd. Zullende het eerste jaar intresse hiervan verschenen zijn op den 16 junij 1700 drie en negentig, en zo vervolgens ’s jaars tot de aflosse continueren, en opdat welgem(elde) renthefferen voor hun uitgedaane capitaal en daarop te verlopene renten de vereischte zekerheid mogen hebben, zo verklaaren zij comparanten onder renuntiatie van alle exceptien die dezen eenigzins mogten contrarieren (en wel ten aanzien der vrouwe mede om den renutiatie van het Senatus Consult Vellejan, en ’t Benevicium ahthentiqua si qua mullier, willende dat geene vrouwen zig voor de schuld van anderen zelfs niet voor die van haare eigene mannen validelijk mogen verbinden, van welkers kragt en uitwerking zij verklaard onderricht te zijn) en speciaal mede onder renuntiatie van de exceptie van ongetelden gelde, daarvoor boven een generaal verband van hunne persoonen en goederen, tot een speciaal hypotheecq en onderpand te verbinden en te stellen, het aan hun comparanten en des comparantes minderjarige kinderen in eigendom toebehoorende, en tot nog toe met geene andere obligatien off hypothecatien bezwaarde erve het Wolbink te Lutten, met de daaronder gehoorende landerijen, veenen en velden, rechten en gerechtigheden, ende zulks ten einde de welgem(elde) renthefferen zig daaraan bij weeromeijsching van voorz(eid) capitaal in cas van onverhoopte wanbetaling, zo voor capitaal als voor de als dan verschuldigde intressen kost en schadeloos zullen kunnen en mogen verhalen. Des ten oirkonde hebbe ik verw(alter) Scholtus voornoemd, deze benevens comparanten en des comparantes mombaar getekend, met mijn zegel bekragtigd en ze voorts ook voor de comparanten omdat dezelven geen zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel mede gezegeld. Actum Heemse den 15 junij 1700 twee en negentig. In de kantlijn van de akte staat: Aan mij zijnde vertoond de origineele brief van terzijden staande obligatie en hypothecatie, waaruit gebleek dat het capitaal daarbij vermeld was gerestituteerd; zo hebbe ik dezen op verzoek van Albert Wolbink alhier geroijeerd en de origineele brief geknipt. Hardenbergh den 29 van Winterm. 1811. In fidem, J.G. Pruim, Scholtus.
 
De volgende akte in het vrijwillig rechterlijk archief dateert van 9 januari 1794 (verkort weergegeven):
Ik G.J. Crull, van wegens hooger overheid verw. Scholtus des cerspels Hardenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificeere dat voor mij en keurnooten, die waren Albert Vedelaar enJannes Greeve, persoonlijk in den Gerichte gecompareerd is Fennegien Odink, weduwe van wijlen Harmen Wolbink, woonachtig te Lutten, zijnde zij comparant ter dezer zake geadsisteerd met Evert Vedelaar als haren gekoorenen en geadmitteerden mombaar. En verklaarde zij comparante voor zich en in qualiteit als boedelhoudersche van haren voorz. wijlen eheman, wegens opgenomene en ter leen ontfangene penningen (geëmployeerd tot aflossing van eene capitaale summa van f. 1500 door haar comparante van wijlen juffrouw Maria Westhoff, weduwe van wijlen den heer G. van den Marjenberg genegotieerd), oprecht en deugdelijk schuldig te zijn aan den weleerwaarden heer H.H. ter Poorten, predikant op ’t Avereest, en deszelfs huisvrouwe mejuffrouw L. Voomberg, eene capitaale summa van veertienhonderd carolijguldens; aannemende en belovende zij comparante pro se et q.p. om dezelve capitaale summa ’s jaarlijks en alle jaaren tot de effective aflosse toe en restitutie der penningen toe te zullen verrenten tegen vier gelijke guldens van ieder honderd ’s jaarlijks. En dat welgem. renthefferen voor hun uitgedaane capitaal en de daarop te verlopene renten de vereischte zekerheid mogen hebben, zo verklaarde zij comparante daarvoor boven een generaal verband van haar persoon en goederen, geene uitgezonderd, tot een speciaal hijpotheecq en onderpand te verbinden en te stellen: een volle waare in de markte van Aane om te weiden, ongeveer een en een half dagwerk hooijland, genaamd den Haverbeld onder Aane, ongeveer een en een half dagwerk hooijland bij Hach onder Aane, een dagwerk hooijland in de Raaschemaat mede onder Aane, twee dagwerken hooijland in de Bezettinge ook onder Aane, vijf en een half dagwerk hooijland meede onder Aane bij het Buuls, het halve Ooster veeneslag in ’t Witte in de Lutter markte. In de kantlijn van de akte staat: Aan mij zijnde vertoond de origineele brief van de terzijden staande obligatie en hypothecatie waaruit gebleek dat het capitaal daarbij vermeld is gerestitueerd en voldaan. Zo hebbe ik dezen op vezoek van Albert Wolbink alhier geroyeerd en de originele brief geknipt. Hardenbergh, den 17 jan. 1811. In fidem, J.G. Pruim, Scholtus.
 
Op diezelfde dag, 9 januari 1794, werd een overdrachtsakte geregistreerd waarbij Fennegien Wolbink-Odink een eigendommelijke veene-akker, gelegen in de Roode Schans onder de marke van Aane, overdroeg aan de weduwe van wijlen Willem Engbers te Anevelde. Enkele maanden later, op 24 mei, liet ze een volgende akte registreren, waarbij zij een andere veene-akker in de Schans te Ane overdroeg aan Jan Hendrik Leemgraven en Albert Wilpshaar, beide wonend te Holtheme.
 
 

Inschrijving in het trouwboek van het kerspel Hardenberg. Albert Teunis en Geertjen Wolbink trouwden op 9 augustus 1795.

Op de dag van ondertrouw, 17 juli 1795, werden ook de huwelijkse voorwaarden opgesteld door schout Jan Godfried Pruim (toegang 55.2.1., inv.nr. 17, scan 24). Daarin werd onder meer bepaald dat meteen na de voltrekking van het huwelijk de helft van de boedel en goederen, schulden en lasten van de overleden vader van de bruid, Harmen Wolbink, en nog in leven zijnde moeder Fennegien Odink, zouden overgaan op het bruidspaar. Na het overlijden van Fennegien Odink zou ook de andere helft vervallen aan Albert Teunisz en Geertjen Wolbink.

In de ‘Koninklijke courant’ van 10 april 1810 werd onderstaande advertentie geplaatst waarin de openbare verkoop werd aangekondigd van het erve Wolbink te Lutten.

Nog diezelfde maand overleed Geertjen Wolbink (30 april 1810), op 44-jarige leeftijd.

Schout J.G. Pruim verleed op 15 januari 1811 een akte waarbij Albert Teunisz. op ’t Wolbink de tot het erve behorende Wester- en Ooster Vaste Slagen in de marke van Lutten voor 5.706 guldens en 15 stuivers transporteerde aan de heren mr. A.C. van Marle, mr. W.J. van Dedem en mr. C.G. van Baerle, ieder voor een-derde gedeelte (toegang 55.2.1, inv.nr. 20, scan 116).

Op 23 januari 1811 verleed schout J.G. Pruim een overdrachtsakte waarbij drie dagwerken hooiland in de Meene door Evert van der Scheer en echtgenote Johanna Venebrugge te Gramsbergen werden overgedragen aan Albert Teunisz. op ’t Wolbink. Hij had er 1000 gulden voor betaald (toegang 55.2.1, inv.nr. 20, scan 124).

Schout J.G. Pruim verleed op 31 januari 1811 een akte op verzoek van Albert Teunisz. op ’t Wolbink. Hij verklaarde voor zichzelf en als weduwnaar van Geertjen Wolbink voor 7.875 gulden het vierde kavel van de op 2 mei 1810 geveilde goederen over te dragen aan een compagnie van vijf personen (Gerrit Woltersom, Jan Woltersom sr., J. van der Scheer, de wed. Hendrik Weggeman en Hermen Berends). Het vierde kavel bestond uit zijn aandeel in een onverdeelde massa veengronden in de marke Lutten (toegang 55.2.1, inv.nr. 20, scan 139).

Albert Teunisz. Wolbink hertrouwt op 7 juni 1811 te Hardenberg met Grietjen Veneman uit Holthone. Een maand eerder, op 24 mei, hebben ze hun huwelijksvoorwaarden laten registreren door G.J. Crull (aktenr. 39, scan 125).

Op 7 maart 1817 kocht Albert Woolbrink (Wolbink) voor maar liefst 4.700 gulden de zgn. tiende Lutter Es van de stad Deventer. Albert overleed op 2 april 1818, op 55-jarige leeftijd.

Notaris Antoni van Riemsdijk vertoefde op 9, 11, 16 en 18 december 1818 op ’t erve Wolbink, numero 9, op verzoek van Grietjen Veeneman, weduwe van Albert Wolbink (eerder Teunisz, vroeger echtgenoot van Geertjen Wolbink), landbouwersche op ’t erve Wolbink c.s. Die dagen maakte de notaris een boedelinventaris op. Tot de onroerende goederen behoorde het woonhuis op ’t erve Wolbink, met deszelfs grond en wheere. Het woonhuis was ten jaare een duizend acht honderd en dertien opnieuw vertimmerdt. ’t Wolbink bestond verder uit een schuur, varkens- en schapeschot en verschillende percelen zaailand, gaardenland, weidegrond, hooiland en gemeste veengrond. Ook alle roerende goederen werden minutieus beschreven. Daartoe behoorden o.a. 65 stuks schapen (aktenr. 189, scan 15).

De eerste april 1819 hield notaris Antoni van Riemsdijk een openbare verkoop van onderscheidene mobilaire goederen op ’t erve Wolbink, op verzoek van Grietjen Wolbink-Veeneman. Er gingen veel schapen onder de veilinghamer, maar ook twee zgn. kakstoelen (kavel 59 en 60) en acht iemenkorven (kavel 72) (aktenr. 24, scan 44). Het Wolbink ging in 1819 andermaal onder de hamer, zoals blijkt uit een advertentie in de Overijsselsche courant van 22 juni van dat jaar.

De openbare veiling vond op 23 juni 1819 plaats in de herberg de Rustenberg in Heemse op verzoek van Grietjen Veeneman, weduwe van Albert Wolbink (vroeger echtgenoot van Geertjen Wolbink) te Lutten, voor haarzelf en in naam en kwaliteit als moeder en voogdes van haar minderjarig zoontje Gerrit Wolbink, Derk Grotebuil en echtgenote Fennigjen Wolbink, Hendrik van ’t Holt en echtgenote Zwaantjen Wolbink, en Hannes Heersmink in naam en kwaliteit van voogd over Jan Harm en Teunis Wolbink. De eerste kavel bestond uit het woonhuis nr. 9 en het varkenschot op ’t erve Wolbink, met gronden en wheeren en de daartoe behorende begraafplaats op ’t kerkhof te Hardenberg. De kavel werd ingezet door Jan Bruins, griffier bij ’t Vredegerecht te Hardenberg, wonende te Heemse, voor 1200 gulden. Bij de definitieve veiling en toewijzing, een week erna, werd eerst nog door landbouwer Gerrit Koerts te Wilsum verhoogd tot 1500 gulden. Echter bij de afslag werd het gemijnd door Hendrik Veltman, dienstknecht bij Jan Jonkhans te Duits Wielen, voor 1544 gulden (aktenr. 65, scan 88).

Op 26 augustus 1819 hield notaris Van Riemsdijk een openbare verkoop van ongeveer 40 schapen, op verzoek van Grietjen Wolbink-Veeneman (aktenr. 93, scan 176) en ruim twee maanden later, op 2 november, een openbare verkoop van meubilen, vhee en stamboomen (aktenr. 104, scan 190). Weer drie maanden later, op 11 februari 1820, werd door Van Riemsdijk een groot deel van de inboedel geveild op ’t erve Wolbink, op verzoek van Grietjen Wolbink-Veeneman en erfgenamen. Vele zaken gingen die dag onder de veilinghamer, in totaal voor ruim 550 gulden (aktenr. 127, scan 21).

Op 12 mei 1820 registreerde dezelfde notaris een overdrachtsakte op verzoek van Grietjen Wolbink-Veeneman. Ze woonde inmiddels in Heemse. Verder verschenen voor de notaris Derk Grotebuil en echtgenote Fennegien Wolbink (meerderjarige dochter van Albert Wolbink en Geertjen Wolbink), landbouwers te Ane; Hendrik van ’t Holt en echtgenote Zwaantjen Wolbink (meerderjarige dochter van Albert Wolbink en Geertjen Wolbink); Hannes Heersmink te Rheeze, als voogd over Jan Herm Wolbink en Teunis Wolbink, minderjarige kinderen van Albert Wolbink en Geertjen Wolbink. Gezamenlijk droegen zij de eigendom van ’t woonhuis numero 9 en het varkensschot van ’t erve Wolbink, met gronden en wheeren en de daartoe gehorende begraafplaats op ’t kerkhof te Hardenberg over aan Hendrik Veltman, landbouwer te Lutten. Hij had op 30 juni 1819 het hoogste bod uitgebracht bij de publieke veiling (aktenr. 165, scan 130).

Hendrik Veltman woonde toen al op ’t Wolbink, zoals blijkt uit de volgende notariële akte die zes dagen later door Van Riemsdijk werd geregistreerd. Daarin verklaarde Hendrik 1200 gulden schuldig te zijn aan Lucas Jansen, grondeigenaar te Vriezenveen. Als onderpand voor zijn hypotheek stelde hij het eigendommelijk erve Wolbink (aktenr. 168, scan 132).

Enkele maanden later, op 18 augustus, was Van Riemsdijk wederom op ’t erve Wolbink in Lutten, opnieuw op verzoek van Grietjen Wolbink-Veeneman. Die dag hield de notaris een openbare verkoop van ongeveer honderd vijmen in gasten staande rogge (aktenr. 212, scan 195).

In 1832 was ’t erve Wolbink in Lutten eigendom van landbouwer Hendrik Veltman en Hendrikje Willems (of Wilmers) te Rheeze. Het was geregistreerd onder sectie A no. 548 op legger 370 van ’t oudste kadasterboek.

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

Legger 370/8: Sectie A-548. Huis en erf. Hendrik Veltman overleed op 21 september 1846 te Lutten. In 1863 hermeting. Over op:
Legger 2358/6: Nieuwe sectie M-584. Huis, schuren en erf (zie hulpregister no. 4, deel 254, nr. 161). Eigendom van Hendrikje Wilmers, weduwe van Hendrik Veltman. Later eigendom van ongehuwde zoon Jan Veldman en mede-eigenaar Gerrit Jan Kelder en echtgenote Aaltje Veldman. Zij waren op 30 april 1847 getrouwd te Heemse. Huisnr. Q-24.

Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1880.

In 1885 verkoop. Over op:
Legger 4562/5: Eigendom van mr. Willem Johan Philip de Lille Hogerwaard te Zwolle (zie register van overschrijving hypotheken, deel 339, nr. 81). In 1886 verkoop. Over op:
Legger 4579/6: Sectie M-584. Huis, schuren en erf. Eigendom van landbouwer Lucas Ewald en echtgenote Jantien Strijker. Zij waren op 6 juli 1883 getrouwd Avereest en woonden aanvankelijk in Ane. Huisnr. Q-24. In 1891 lieten zij de boerderij gedeeltelijk slopen…

Kadastrale hulpkaart, anno 1892.

Legger 4579/22: Sectie M-584. Huis en erf. In 1893 verkoop. Over op:
Legger 4753/25: Eigendom van de ongehuwde Jacob Simon Bromet, koopman (antiekhandelaar) te stad Hardenberg. In 1893 verkoop. Over op:
Legger 4702/5: Eigendom van Hermannus Lamberink. In 1897 verkoop. Over op:
Legger 5472/5: Sectie M-584. Huis en erf. Eigendom van Jan Assen (bijgenaamd: de Keizer) en Gesina Rosink. Zij zijn op 24 december 1897 getrouwd in Heemse. Huisnr. Q-24. In 1910 bijbouw. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1910 (sectie M-2798).

Legger 5472/14: Nieuwe sectie M-2798. Huis en erf. Jan Assen overleed op 25 mei 1921 op ’t Wolbink. In 1922 boedelscheiding. Over op:
Legger 8682/12: Eigendom van landbouwer Jan Hans en echtgenote Hendrikje Assen. Zij zijn op 17 april 1903 getrouwd te Heemse. In 1924 bijbouw en vernieuwing. Over op:
Legger 8682/13: In 1928 vereniging van percelen. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1928 (sectie M-3196).

Legger 9570/1: Nieuwe sectie M-3196. Huis, bouw- en weiland. Eigendom van Jan Hans. In 1938/1939 bijbouw schuur (varkenshok). Over op:
Legger 9570/2: In 1953 boedelscheiding. Over op:
Legger 12320/1: Eigendom van Jan Hans Janszn. en consorten. Huisnr. Q-77. In 1953/1954 verbouw woning (gedeeltelijk vernieuwd). Over op:
Legger 12320/2: Op 13 oktober 1958 werd ’t Wolbink gekocht door Roelof Lamberink. Hij was geboren op 24 juli 1927 te Oud-Lutten. Hij trouwde op 21 augustus 1959 met Hilligje Kuiper.
Legger 13128/1: Eigendom van Roelof Lamberink. In 1959 bouw kippenhok. Over op:
Legger 13128/2: In 1960 opgenomen in de ruilverkaveling. Over op:
Legger 13127//9: Sectie P-9. Huis, schuren, bouwland en weiland aan de Bruine Kuilenweg. In 1970 verbouw. Over op:
Legger 13127/11: In 1977 verbouw.