’t Brinks

In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg wordt een akte bewaard, gedateerd 6 mei 1749, opgemaakt door schout Arnold Voltelen.  Het betreft het testament van Arend Uilenbergh uit Heemse. In het testament vermaakt hij zijn onroerend goed, het halve erve Brinks te Lutten, dat leenhorig was aan de provincie, aan zijn zoon Jan Hendrik Uilenbergh. De letterlijke akte luidt:

Ick Arnold Voltelen, wegens hoger overigheid in der tijd scholtus van den Hardenberg, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere dat voor mij en keurnoten als waren Abraham Hendriks en Jannes van Rechteren, erschenen is Arent Ulenberg, sijnde eenigsints siekelijk na den lichame en op het bed sijnde, maar sijn verstand en oordeel soo vele men uitterlijk konde vermerken, vollenkomen hebbende, welke verklaarde uit consideratie van de sekerheid des doots en de onsekere uire van dien, geresolveert te sijn bij desen tot praeventie van misverstand soo na sijn overlijden over het sijn competerende halve erve Brinks, cum annexis, gelegen tot Lutten, wesende leenhorig aan dese provintie, mogten komen komen te ontstaan, daar over allenig nader bij desen, ingevolge daartoe reets hebbende consent des leenheers om daarover voor den dagelijksen rigter te mogen disponeren, op volgende maniere gedisponeert. Eerstelijk en vooraf verklaarde hij testator te revoceren en te niete te doen, alsodanige testamentaire dispositie als hij wegens het voorschreven halve erve Brinks, cum annexis, besloten sijnde, door desen edele gerigte op den 25 junij 1746 heeft doen confirmeren etc. Verders wil en verklaarde hij testator dat het gemelde sijn halve erve Brinks cum annexis na sijn overlijden sal komen en erven op sijnen soone Jan Hendrik Uilenbergh, mits dat hij daarvoor of tegens in sijnen testators boedel bij delinge sal moeten inbrengen, met sijn andere kinderen, een somma van seventienhondert carolyguldens, sijnen gemelte sone Jan Hendrik Uilenberg hetselve op de gemelte conditie en mitsdien legaterende, en op de plegtigste maniere makende, bij desen. Wijders verklaarde hij testator alsnog te nomineren en te institueren sijne kinderen genoemt en sodanig als bij desselfs testamentaire dispositie met wijlen sijn huisvrouwe voor desen edele gerigte tot sijne erfgenamen op dato den 28 maij 1748 uitgegaan, waarbij verklaarade alsnog te blijven persisteren, voort overige. Aldus al het voorschrevene de testator duidelijk hebbende voorgelesen en afgevraagd of dit niet was sodanig sijn vrije uitterste wille, so heeft hij daarop geantwoort van ja, willende en begerende dat deselve na sijn overlijden kragt en effect moge sorteren, het sij als testament, codicil, gifte ter sake des doots ofte onder de levende, so sulks best sal kunnen en mogen bestaan, ofschoon alle solemniteiten in regte nodig daarin niet mogten sijn geobserveert. In waarheids oirconde hebbe ik scholtus voornoemt dese nevens de testator getekent en gezegelt. Actum Heemse den 6 maij 1749.

In 1751 kocht Jan Bosch, molenaar te Gramsbergen, het halve erve Brinks van Jan Hendrik Uilenbergh.

Op 25 juli 1768 werd een beschikking geregistreerd door de schout, op verzoek van de leenheer betreffende het testament van Jan Bosch en Zwaantjen Boerink. Voor de luitenant stadhouder van de Lheenen, Berent Henrik Bentinck tot Schoonheeten, dingwaerder, en voor de mannen van lenen, genaamd Derck Bentinck tot Diepenheim en Harmen Assinck, verschenen Jan Bos, mulder te Gramsbergen, en Swaantjen Boerink, verzoekende om toestemming van het genoemde in hun testament over het erve Brinkhuis te Hardenberg in de buurtschap Lutten, zijnde tweelheenig, hetwelk met mannen van lheene in overweging genomen zijnde, toegestaan is.

Uit het pachtboek van de havezate Heemse blijkt dat het Brink ook genoemd Brinkhuis te Lutten vanaf 10 juli 1795 werd bemeijerd (gepacht) door Gerrit Gerritsen Brink en huisvrouw Maria Jansen Reinink. In 1798 en 1799 werden kinderen van hen gedoopt, waarbij staat dat ze woonden op ’t Brinks. 

De ‘Koninklijke courant’ van 10 april 1810.

De griffier van ’t Hardenbergs Vredegerecht, G.J. Crull, registreerde op 15 juni 1811 een akte op verzoek van Jacob van Foreest en diens echtgenote Maria Clara van Foreest geboren van Rechteren tot Heemse. Zij verklaarden voor 9500 gulden hun eigendommelijk erve Brink of Brinkhuis, gelegen in de boerschap Lutten, bestaande in een erve, boerenwoning, schuur en schapenschot met annexe landerijen, over te dragen aan de heren A.C.W. van Haersolte van den Doorn, D. Bentinck tot Diepenheim, B.H. Bentinck tot Buckhorst, J.E. Wildeman, F.A. Goudriaan en P. Lorentz, tezamen voor drie-vierde, dus ieder voor een-zesde gedeelte, en Klaas Olthuis te Hardenberg voor een-vierde gedeelte het (akte 56, scan 172).

De Overijsselsche Courant van 19 juni 1819 (met een foutief ‘gezet’ jaartal 1816 in de tekst).

Notaris Antoni van Riemsdijk begon op 16 juni 1819 met de veiling van vaste goederen, behorende tot ’t erve Brinks, op verzoek van de eigenaren Berend Hendrik baron Bentinck (gouverneur van Overijssel), Antoni Coenraad Willem baron van Haersolte tot den Doorn, Rudolph Frederik Carel baron Bentinck tot Schoonheten, en de heren Adrianus Franciscus Goudriaan (inspecteur-generaal van de Waterstaat en der Publieke Werken te ‘s-Gravenhage), Cornelis van der Meer (ingenieur bij de Waterstaat en de Publieke Werken te Zwolle), Barend Felders (rentenier te Leiden) en Klaas Olthuis (grondeigenaar te stad Hardenberg). Het eerste kavel bestond uit het huis en een schapeschot met gronden en wheeren, numero 13 te Lutten, met de daartoe gehorende begraafplaats op ’t kerkhof te Hardenberg, zaailand op de Lutter Esch, groenland bij ’t huis, de halve gerechtigheid van een whaardeel in de Lutter markte. Het kavel werd ingezet door Jan Bruins, griffier bij ’t Vredegerecht te Hardenberg, wonende te Heemse en door hem verhoogd tot 800 gulden. De week erop werd de definitieve veiling en toewijzing verricht, maar de eigenaren namen geen genoegen met de geboden bedragen en besloten de verkoop dan ook niet te gunnen. ’t Brinks bleef eigendom van de zeven heren (aktenr. 62, scan 74).

In de Drentsche courant van 29 juni 1830 werd opnieuw de openbare verkoop aangekondigd van het boerenerve Brinks in de buurtschap Lutten. 

Notaris Antoni van Riemsdijk hanteerde de veilinghamer op 2 augustus 1830 in opdracht van verschillende eigenaren:
1. mr. Willem Hendrik Royer, rijksadvocaat, wonend te Zwolle, als gemachtigde van de hoogwelgeboren heer Berend Hendrik baron Bentinck tot Buckhorst, gouverneur der provincie Overijssel;
2. de hoogwelgeboren heer mr. Coenraad Willem Antoni baron van Haersolte tot den Doorn, lid der rechtbank van Eersten Aanleg te stad Zwolle;
3. mr. Willem Hendrik Royer als gemachtigde van fabrikant Hendrik Telders en echtgenote Adriana Goudriaan te stad Leiden;
4. vrouwe Francina Hendrina Harwich, weduwe en erfgename van Cornelis van der Meer te stad Almelo
5. Klaas Olthuis, grondeigenaar te Anevelde;
6. vrouwe Geurtje Omheim, weduwe van Adriaan Francois Goudriaan, in leven inspecteur generaal bij den Waterstaat, te Rijswijk, voor haar zelf en als moeder en voogdes over de twee minderjarige kinderen Johanna Goudriaan en Cornelia Clasina Goudriaan;
7. den heer Bernardus Hermannus Goudriaan, meerderjarige zoon van Adriaan Francois Goudriaan en Geurtje Omheim, hoofdinspecteur bij de Waterstaat te ‘s-Gravenhage;
8. jonkvrouwe Maria Eva Goudriaan, meerderjarige dochter van Adriaan Francois Goudriaan en Geurtje Omheim, wonende te Rijswijk;
9. jonkvrouwe Hendrica Hadriana Goudriaan, meerderjarige dochter van Adriaan Francois Goudriaan en Geurtje Omheim, te Rijswijk;
10. mr. Willem Hendrik Royer in naam en kwaliteit van vader en wettige voogd over zijn minderjarige kinderen Derk Roijer, Maria Gerridina Debora Royer, Georg Roijer, Elisabeth Maria Roijer, Carel Berend Hendrik Roijer en Wilhelm Roijer, door hem bij zijne wijlen ehevrouwe Bonne Elisabeth Bentinck in echte verwekt;
– gezamentlijke eigenaren.
De tweede kavel van de veiling betrof ’t erve Brinks, bestaande uit deszelfs behuizinge, schuur en schapeschot, getekend numero 13, met derzelver gronden en wheeren, aldaar zuidwaards de Steege staande en gelegen tusschen de erven het Vassen en het Wolters, hebbende het eerstgemelde ten oosten en het laatstgenoemde ten westen (aktenr. 894, scan 65). De heer Ernst Friedrich Meijeringh, gepensioneerd Hanoversch luitenant van de infanterie, wonend te Bentheim, bood bij inzate 2500 gulden. Veertien dagen later, op 16 augustus, vond de tweede en definitieve veiling plaats. Daarbij werd door Paulus Cornelis Adriaan Sichterman 200 gulden meer geboden en vervolgens bood grutter Jan Mulder, wonende aan de Dedemsvaart, nog eens 300 gulden extra. Vervolgens werd het kavel bij afslag gemijnd door dezelfde Jan Mulder voor 3200 gulden. Daarna werd nog een veiling van gecombineerde kavels gehouden en daarbij gingen de kavels 1 t/m 14 in één bod van 48805 gulden naar de heer Jacob Gerard van Nes.

In 1832 was ’t erve Brinks in Lutten eigendom van Juliana Dorothea Hisk Maria d’Arnaud, de douairière van Antony Coenraad Willem van Haersolte, heer van den Doorn, Zuthem en Haerst. Het stond kadastraal bekend onder sectie A nummer 467 op legger 116.

Op 2 april 1832 verleed notaris Antoni van Riemsdijk de akte van de openbare verkoop van een groot aantal roerende goederen, in opdracht van Lucas van Faassen, weduwnaar van Gezina Munnekemeijer, landbouwer op ’t erve Brinks te Lutten (aktenr. 997, scan 19). Lucas en Gezina waren op 2 mei 1829 getrouwd te Heemse, maar Gezina was op 1 oktober 1831 op 25-jarige leeftijd, in huisnr. 13 te Lutten.

Negen maanden later, op 1 september, beschreef dezelfde notaris de huwelijkse voorwaarden tussen Lucas van Faassen, weduwnaar van Gezina Munnekemeijer, en Dederika Brink (aktenr. 1018, scan 63).

In 1851 werden de eigendommen van de weduwe Van Haersolte onder de hamer gebracht. Het erve Brinks te Lutten werd daarbij eigendom van Gerrit Jan Bouwhuis en echtgenote Hendrikjen Brink. Zij waren op 10 juni 1824 getrouwd te Heemse. Hendrikjen Brink was een dochter van de vroegere pachters en bewoners van ’t Brinks: Gerrit Brink en Maria Reinink.  Vervolgens vererfde het Brinks op hun zoon, eveneens Gerrit Jan genaamd. Hij trouwde op 28 augustus 1857 te Heemse met Hendrikjen Hilverdink. De geschiedenis herhaalde zich toen ook hun zoon Gerrit Jan de erfopvolger werd. Hij trouwde op 7 mei 1886 te Heemse met Evertjen Hofsink.

In 1890 ging het eigendom van ’t Brinks tijdelijk over op Antonie Dolle en echtgenote Johanna Gesina Hoff, maar enkele jaren later werd Evertjen Hofsink, als weduwe van Gerrit Jan Bouwhuis, weer eigenaresse van het oude boerenerf. Vervolgens vererfde het bezit op zoon Gerrit Jan Bouwhuis (voor de helft) en op Hendrik Wermink (voor de andere helft). Laatstgenoemde trouwde op 10 november 1922 te Heemse met Zwaantje Schutmaat uit Diffelen. Het eigendom ging aansluitend over op hun zoon Jan Wermink (geb. 19 februari 1933).

Het erf is nu geadresseerd aan de Kiezelweg 13 te Oud-Lutten.