Katgerrits

Woonboerderij van de fam. Slatman op ’t vroegere Katgerrits.

 

Een Twents houten landhek bij de ingang naar het erf vermeldt de naam Vechtanjer. Die naam heeft het plekje nabij de splitsing van de Rondweg en de Doorbraakweg pas gekregen toen de familie Slatman er aan het eind van de jaren tachtig gingen wonen. Voordien droeg het de naam Katgerrits. Notaris Willem Swam registreerde op 14 april 1831 een akte betreffende de publieke verkoop van mobilia (roerende goederen) in opdracht van Lambert Borrel, landbouwer in ’t Holthemerbroek, op het zogenaamde Katgerrits (aktenr. 383, scan 55).

Door een in de voorgevel van de boerderij gemetselde gedenksteen weten we wanneer deze verbouwd is en wie de opdracht daartoe heeft gegeven. In sierlijke letters is in Bentheimer zandsteen gegraveerd: Gebouwd door H.J.L. en Gzn M. ’t jaar 1850. Onderzoek wijst uit dat het de initialen zijn van het welgestelde echtpaar Hendrik Jan Leemgraven en Gezina Meijerink. Hendrik Jan was in Holtheme geboren op het monumentale erve Leemgraven en zijn ouders hadden hem op 23 augustus 1795 laten dopen in de kerk van ’t Duitse Laar. Op zich was dan niet opmerkelijk, want ook zijn broers en zusje werden in die kerk gedoopt. Enkele families uit Holtheme kerkten daar, omdat het, door middel van een veer over de Vecht, eenvoudig te bereiken was en de afstand naar Gramsbergen of zelfs Hardenberg veel groter was.

 

Deze gevelsteen herinnert aan de bouw van het nieuwe voorhuis, in opdracht van Hendrik Jan Leemgraven en echtgenote Gezina Meijerink.

 

Jarenlang waren Hendrik Jan en Gezina boer en boerin op het erve Leemgraven. Hendrik Jan was al 65 toen ze een stukje stroomopwaarts langs de Vecht dit boerderijtje kochten en in 1850 het voorhuis lieten verbouwen. Misschien wilden ze hier van hun oude dag genieten. Van het Katgerrits, ook wel het Eggengoor genaamd, is bekend dat het in het derde kwart van de achttiende eeuw eigendom was van de familie Bentinck tot Wolda. Zij verpachtte de boerderij. In het doopboek van de kerk in Hardenberg schreef de predikant op 11 april 1756: Roelof en Anne, ouders uit Katgerrits te Holtheem, haer kint Hendrik Jan genaamt. Het vermelden van de achternamen was indertijd blijkbaar niet nodig: iedereen wist wie er op het Katgerrits woonde. Na het overlijden van het echtpaar Leemgraven vererfde de boerderij op hun jongste zoon Derk Jan en schoondochter Henderkien Scheerman. Zij voerleden kinderloos en daarna werd het boerderijtje door de erfgenamen jarenlang verpacht aan achtereenvolgens de families Dijkman en Van den Poll. Na het vertrek van de laatste pachters kwam het boerderijtje jarenlang leeg te staan.

De uit Ane afkomstige bakkersfamilie Slatman, wijd en zijd bekend door hun koek, had al jarenlang een voorliefde voor deze omgeving en voor de Vecht in het bijzonder. Als er ’s zondags even tijd was, gingen ze graag met de kinderen op stap en fietsten dan door het grensgebied. Wanneer ze dan door de Meene naar Holtheme fietsten, betraden ze het verlaten erf en genoten er van de rust en de natuur. Zittend op de zomerdijk achter de boerderij droomden ze ervan om eens, als ze met pensioen waren, hier te wonen op ‘hun plekje’.

Dat die dromen uitkwamen, was mede te danken aan aannemersbedrijf Zweers uit Ane. Evert Zweers had het oude boerderijtje begin jaren zeventig gekocht van de familie Leemgraven. De laatste pachters, de familie Van der Poll, waren vanwege hun gevorderde leeftijd gestopt met het boerenbedrijf, ook omdat ze geen opvolging hadden. Sinds hun vertrek naar Heemse had het pand leeg gestaan en Zweers zag er wel wat in. In die tijd werden veel oude woningen verbouwd tot woonboerderijtjes en dat wilde hij ook doen als het eens minder druk was in de bouw. Jarenlang heeft het leeg gestaan, want het werd alsmaar drukker in de bouw. Door de opkomst van ligboxenstallen en de aanleg van nieuwe woonwijken groeide het kleine aannemersbedrijfje uit tot een groot bouwbedrijf en was er geen tijd om het pand te verbouwen. Wel werd het nog eventjes verhuurd aan een dierenarts en ook bood het korte tijd onderdak aan een kunstenaar. Toen die er letterlijk uitgeregend was, door de slechte pand waarin het pand verkeerde, werd het door de leegstand snel bouwvallig. Af en toe werd het gebruikt door vissers die hier aan een zijarm van de Vecht een prachtige stek gevonden hadden. Ze overnachtten dan in de boerderij.

 

In het bovenlicht van de ‘bovendeur’ in de voorgevel is een levensboom van smeedwerk aangebracht.

 

Toen Slatman in maart 1987 een bezoekje aan de boerderij bracht, omdat er in de buurt een koppel Canada-ganzen was neergestreken, zag hij dat er onderhoud was gepleegd aan de woning en dacht dat ze was verkocht. Hij nam contact op met Zweers. Die liet weten dat er overheidssubsidie was toegezegd voor de restauratie en omdat daar een termijn aan verbonden was, wilde hij het pand wel verkopen. Herman Slatman en zijn vrouw Nine werden vervolgens de nieuwe eigenaren van ‘hun oude plekje’. De noodzaak om snel te verhuizen was er niet en daardoor werd Zweers in de gelegenheid gesteld om de restauratie- en verbouwwerkzaamheden gedurende het daarop volgende jaar uit te voeren. Die werken zijn met vakmanschap van erven timmerlieden uitgevoerd, zodat de authenticiteit van het pand intact gebleven is. De oude keiharde gebinten zijn allemaal blijven staan. Een van de gebinten in het achterhuis is voorzien van een inscriptie met de initialen W.A.M. en het jaartal 1760. De afmetingen en de grondvorm van het gebouw komen overeen met de typische Saksische boerderijen. De oorspronkelijke schouw met een open vuur zat er nog altijd in. De vanouds in kalk ingelegde Delftsblauwe wandtegeltjes waren helaas allemaal al uit de boerderij gehaald toen het leeg stond en dat gold ook voor de stenen vloer. Een oude houten dekenkist, uit 1723, die voorheen op de hilde had gestaan, was door de laatste pachter aan een opkoper verkocht…

Vanwege de kwalitatief goede buitenmuren van het in 1850 gebouwde voorhuis besloot de familie Slatman om aan de binnenzijde een spouwmuur te laten metselen, zodat het beter geïsoleerd werd. De buitenmuren van het veel oudere achterhuis, met de oorspronkelijke deel en baanderdeuren, werden vernieuwd. Van een in het Duitse Laar afgebroken boerderij werden daarvoor stenen naar Holtheme gehaald die, afgebikt en wel, hergebruikt konden worden. Op het lommerrijke erf staat verder nog een met dakpannen gedekte schuur die niet als beschermd monument aangewezen is. Deze schuur heeft Slatman laten bouwen op de plek van een vorige schuur die kort voordat zij het kochten, rond 1985, was afgebrand. De door Slatman gekochte eeuwenoude gebinten van een bij Tubbergen afgebroken schuur konden niet uit elkaar en werden als geheel op een grote wagen via Duitsland naar Holtheme vervoerd. Daar werd de houtconstructie gebruikt als basis voor de nieuwe schuur die er met het door rietdekker Jan Timmer gevlochten rietwerk en een fraaie heidegevel – de enige in onze regio – bij staat, alsof hij er altijd heeft gehoord.

Kadastrale geschiedenis
In 1832 was het huis en erf eigendom van wever Lambert Eggengoor en echtgenote Grietjen Snijdergeerts. We vinden het dan gesitueerd in de zgn. ‘Eggengoor’ in sectie D no. 178 op legger nr. 108. Nu wordt het geadresseerd aan de Rondweg 37.

 

Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1832.

 

108/1: Sectie D-178. Huis en erf. In 1869 verkoop. Over op:
1641/12: Eigendom van Derk Jan Leemgraven en echtgenote Henderkien Scheerman, landbouwers te Holtheme. Huisnr. E-21. Huis, erf met schuurtje. In 1884 vereniging van artikelnummers. Over op:
815/98: In 1900 successie. Over op:
2796/31: Eigendom van Jan Hendrik Leemgraven Slingenbergh en echtgenote Gesina Lubberta Johanna Ruitman. Zij waren op 8 november 1894 getrouwd te Gramsbergen. In 1908 verbouw. Over op:

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1908. Sectie D-178 is samen met D-2094 opgegaan in D-2640.

 

2796/139: Nieuwe sectie D-2640. Huis, bouw- en weiland. In 1932 stichting. Over op:
2796/199: In 1938 verbouw. Over op:
2796/216: In 1940 vernieuwing van artikelen. Over op:
4959/66: Eigendom van weduwe Gesina Lubberta Johanna Leemgraven Slingenbergh-Ruitman (voor de helft) en van Gerrit Jan Waterink en echtgenote Hendrikje Leemgraven Slingenbergh (de andere helft). Sectie D-2640. Huis, schuren, bouw- en weiland. In 1950 vereniging van percelen. Over op:

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1950. De drie katersteden zijn samengevoegd tot één groot nieuw perceel: D-3417.

 

4959/131: Nieuwe sectie D-3417. Drie huizen, schuren, bouw- en weiland. In 1951 gedeeltelijke vernieuwing en bijbouw. Over op:
4959/135: In 1954 bijbouw. Over op:
4959/145: In 1958 stichting. Over op:
4959/149: In 1961 stichting. Over op:
4959/151: In 1967 sloping en stichting. Over op: 
4959/157: In 1968 verkoop. Over op:
4959/158: Nieuwe sectie D-3894. Twee huizen, schuren, bouw- en weiland. In 1969 verkoop. Over op:
4959/165: Nieuwe sectie D-4015. Twee huizen, schuren, bouwland en weiland. In 1969 stichting enz. Over op:
4959/172: In 1970 verbouw en restauratie. Over op:

 

De boerderij vóór de grootschalige restauratie in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

 

4959/174: Eigendom van Hendrikje Leemgraven Slingenbergh, weduwe van Gerrit Jan Waterink. Huisnr. E-22a. In 1980 opgegaan in de ruilverkaveling.