de Oelemölle

Op 9 juli 1533 werd door de Stadhouder van het gewest Overijssel toestemming verleend aan de burgers van Hardenberg tot het oprichten van een windmolen, ter vervanging van een bestaande watermolen. Die oude watermolen kon in de winter niet gebruikt worden vanwege de vorst en ’s zomers was er te weinig water in de Vecht om de molen van stromend water te voorzien. Georg Schenck van Toutenburg verleende de toestemming. Hij was van 1528 tot 1540 stadhouder namens de Habsburgse Nederlanden. Echter, die toestemming werd niet zonder slag of stoot gegeven, want de jufferen en erfgenamen van het adellijk goed te Gramsbergen hadden bezwaar aangetekend. Zij waren bang dat de Hardenberger molen concurrentie zou opleveren voor hun eigen molen. De stadhouder besloot echter het bezwaar af te wijzen en zodoende konden de Hardenbergers aan de slag met de bouw van de molen die we nu kennen als ‘de Oelemölle op de Brink’. De tekst van het stadhouderlijk besluit luidde:

9 juli 1533. In sake den Jufferen en erfgename van Gramsberge tege burgemeesters, schepene en rade en gemeene ingezetenen van Hardenberg, van een nieuwe windmolen welke die van Hardenberg wenschen op te richten, omdat zij (als zij zeggen) des zomers om de droogte en des winters om de vorst, hun watermolen niet gebruiken kunnen. Waarop de Stadhouder aan die van Hardenberg ‘den wind gegund heeft’ onverkort ’s Keizers en ieders recht, waartegen de juffers aangevoerd hebben, dat haar windmolen, die zij jarenlang bezaten, hierdoor werkelijk benadeeld wordt – is gewezen, dat die van Hardenberg den windmole mogen oprichten, doch niet tevens de watermole moge gebruiken en geen verbond of monopolie maken zulle, tot nadeel des molens der Juffers, op straf van verlies van de gegunde wind.

De ‘stadseigendommelijke wind-koorn- en pelmolen’ werd in 1598 door de stad verkocht aan Gerhardt van Warmelo, de toenmalige drost van Salland. Diens erfgenamen verkochten hem vijftien jaar later aan jonkheer Sweder Schele toe Welvelde en Venebrugge. In 1664 werd de stad weer eigenaar toen ze de molen terug kon kopen van de erfgenamen Schele. Om de aankoop te kunnen financieren leenden ze duizend keizersguldens van burgemeester Harmen van Borne.

Op 4 juli 1818 werd door notaris Antoni van Riemsdijk een boedelinventaris opgesteld op verzoek van Roelof Bouwhuis, weduwnaar van Gerritdina Snel, molenaar op den Brink in nr. 10 te Heemse (aktenr. 120, scan 155). Dezelfde notaris registreerde elf dagen later de akte van huwelijkse voorwaarden op verzoek van weduwnaar Roelof Bouwhuis (zoon van Hendrik Bouwhuis, molenaar aldaar en Maria Jansen) enerzijds en Caroline Snel, wonende op den Mariënberg onder Bergentheim in nr. 24 (meerderjarige dochter van Marten Snel, molenaar aldaar en Jannigjen Gerrits), anderzijds. De koning had bij besluit van 19 oktober 1816 toestemming gegeven voor het huwelijk. Dat moest aangezien Caroline de volle zus van Gerritdina Snel was en dus Roelofs schoonzus (aktenr. 128, scan 148). Het huwelijk werd op 24 juli 1818 gesloten. 

Op de oudste kadastrale kaart, van 1832, staat de windkorenmolen – die we nu kennen als de Oelemölle – ingetekend in sectie B nr. 631 op legger 132.

 

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

 

Notaris Antoni van Riemsdijk verleed op 30 september 1833 een akte van borgstelling op verzoek van Abraham Koeslag, timmerman te stad Hardenberg. Hij had zich als borg ingelaten voor Philippus Weggeman, korenmolenaar, wonende te Heemse en als zodanig bemaalende de bij hem in pacht zijnde koornmolen aldaar, gezegd de Hardenberger of de Stads-Molen (aktenr. 1069, scan 21).

De molen met het daarbij behorende molenaarshuis en tuin ‘op en aan den Molenberg’ (de Brink) werd in 1852 door middel van een publieke veiling opnieuw verkocht door de stad Hardenberg. De nieuwe eigenaar werd Derk Jan Bruins voor 7.260 gulden. Hij had de molen voordien in pacht gehad. 

 

Overijsselsche en Zwolsche Courant, 21 september 1874.

 

Het Algemeen Handelsblad van 19 mei 1893 meldde:
De bliksem sloeg in den koren- en oliemolen die op den Brink in de onmiddellijke nabijheid van Hardenberg staat, waarbij een begin van brand ontstond. De windwijzer, die boven het dak uitsteekt, is versplinterd en van daar is de bliksem onder de kap binnen in den molen geslagen; een paar balken zijn geheel gespleten en een paar zolders doorboord.

 

Een opname vanuit oostelijke richting van de molen op de Brink (bron: Vereniging De Hollandsche Molen; database Allemolens.nl)

 

De Oelemölle zou een eeuw lang in particuliere handen blijven, totdat de gemeente Hardenberg in 1965 besloot de zwaar vervallen molen voor 20.000 gulden op te kopen van brandstoffenhandelaar Jurrien Nijzink. Vervolgens werd meteen een begin gemaakt met de restauratie. In de raadsvergadering van 31 oktober 1967 werd besloten de oude stadskorenmolen voortaan officieel de naam ‘Oelemölle’ te geven. De restauratie was toen volledig afgerond. In het rietdek van de molen is door de rietdekkers het jaartal 1533 aangebracht, het jaar waarin de eerste molen op de Ulenbelt werd opgericht. Echter, de huidige Oelemölle is van veel later datum. De constructie is een stuk jonger. In een van de grote tandwielen komt bijv. het jaartal 1733 voor, wat een stuk aannemelijker is…

 

 

 

Het Noord-Oosten van 1 juli 1966 meldde op de voorpagina groots: Het Molenplein houdt haar molen. Het gemeentebestuur van Hardenberg stond indertijd voor een moeilijke beslissing. Men kon geen subsidie krijgen voor restauratie van de oude stadsmolen van Hardenberg die op de voormalige Heemserbrink stond en het Molenplein ‘ontsierde’. Wanneer men de molen in die slechte staat zou laten voortbestaan, dan moest men haar als verloren beschouwen en opruimen. Of men moest de andere koers kiezen: een begin maken met restauratie en dan maar zelf betalen. Het college van burgemeester en wethouders koos voor het laatste. Er was niet voldoende geld beschikbaar om de molen in een keer te laten restaureren. Dat zou volgens de begroting bijna 80.000 gulden gaan kosten. Daarom zou men in fases gaan werken aan het herstel van Hardenbergs trots. De gemeenteraad moest dit voorstel van het college nog wel ‘even’ goedkeuren. Dat ging niet zonder slag of stoot. Het leidde tot een levendig debat in de raadsvergadering. Zo vond raadslid Te Rietstap het een moeilijke beslissing. Hij verklaarde dat hij reeds bij de aankoop van de molen had gewezen op het feit dat de molen moest worden hersteld of opgeruimd. De heer Harsevoort herinnerde schertsend aan het liedje ‘Daar bij die molen…’ en hoopte dat in de toekomst te kunnen blijven zingen. Zeker in een tijd waarin alles vernieuwd werd, vond hij er veel voor te zeggen dat het oude ook behouden moest blijven. Wethouder Valkman verklaarde het bijzonder spijtig te vinden dat er geen subsidie verwacht kon worden en dat het college daarom na ampel beraad nu voorstelde de molen in fases te laten restaureren. Daarvoor zou geld worden ingezet uit het fonds ‘stadsuitleg’. Dat impliceerde dat de restauratie zou moeten bijdragen aan stads-verfraaiing of verbetering van het stadsbeeld. De gemeente was al niet overladen met bouwwerken die een bezienswaardigheid genoemd konden worden… Raadslid Muller kon nog maar moeilijk inzien dat die oude molen van historische waarde zou zijn. Raadslid De Groot merkte op dat het hier niet ging om de keuze tussen oud of nieuw. Men moest zich de vraag stellen of zo’n grote uitgave nog wel verantwoord was. Hij meende die vraag ontkennend te moeten beantwoorden. De heer Sierink reageerde daarop en zei dat hij zich kon indenken dat de heer De Groot als nieuwkomer hier anders over dacht dan de oorspronkelijke bevolking… Uiteindelijk stemde de raad ermee in, met vier tegen tien stemmen. Tegen stemden de heren Nijboer, De Groot, Juurlink en Botter. De oude stadskorenmolen was in 1965 door de gemeente aangekocht van molenaar Jurrien Nijzink. Vervolgens werd de molen in fases opgeknapt. Op 31 oktober 1967 besloot de gemeenteraad de molen de officiële naam ‘Oelemölle’ te geven en op 23 december 1969 volgde de officiële heropening van de vernieuwde molen. Sindsdien siert het oude bouwwerk de skyline van Hardenberg. (Voor meer informatie zie pag. 312 t/m 315 in ons boek ‘Monumenten in de gemeente Hardenberg’)