Frijling, Akkerman, Stroeve en Kota Radja

Vanouds kende de stad Hardenberg verschillende etablissementen waar de burgers en buitenlui door dag en tijd terecht konden voor een hartversterkertje, een eenvoudige warme maaltijd of een gerieflijke slaapplaats. Hardenberg lag langs de bekende handelsroute – de Hessenweg – naar het Duitse achterland en ontving vele passanten die soms de nacht doorbrachten in de stad. Een van de jongere horecabedrijven betreft het Café Frijling, nu geadresseerd aan de stationsstraat nr. 24, dat kort na de vorige eeuwwisseling de deuren opende voor het publiek.

Groepsfoto, gemaakt bij de veranda van het café Frijling. Derde van links: Graads Frijling. Op de stoel zit zijn echtgenote Arendje Knol. Geheel rechts: dhr. Kloekhorst (bijgenaamd ‘Klooster-Bats’). De overigen onbekend. Circa 1910.

Stationskoffiehuis Frijling
De geschiedenis van het café Frijling begon rond 1900, toen bakker en winkelier Carel Wynoldus Hombrink zijn huis annex bakkerij in de verkoop deed. Zijn woon-/winkelpand was gesitueerd in het zuidoosten van Hardenberg, aan wat later de Stationsweg zou gaan heten. De nieuwe eigenaren werden Gerhardus Frijling en zijn vrouw Arendje Knol. Het horeca-echtpaar bezat al een koffiehuis, gelegen nabij de Voorstraatbrug, net aan de overzijde van de Vecht op De Brink in Heemse. Het echtpaar Frijling had een vooruitziende blik. Zij zagen de kans schoon om de opstallen van Hombrink te kopen met in het achterhoofd dat het niet lang meer zou duren voor er een heuse spoorlijn langs Hardenberg zou worden aangelegd. De besluitvorming daartoe was in 1899 afgerond, maar het zou nog enkele jaren duren voor de treinen het ‘station Hardenberg’ zouden aandoen. Het in 1901 gekochte pand lieten ze het jaar erop tot de grond toe afbreken. Vervolgens verrees op dezelfde locatie een nieuw pand, waarin een logement en café werd gerealiseerd. Aanvankelijk werkte het echtpaar nog in hun oude taveerne aan de Vechtbrug, maar in het voorjaar van 1903 werd in het Salland’s Volksblad aangekondigd dat notaris Stuart het koffiehuis – met drankvergunning – publiekelijk zou gaan veilen. Kruidenier Egbert Jan Boers bracht het hoogste bod uit en werd, met ingang van 1 mei 1905, de nieuwe eigenaar. Het gezin Frijling verhuisde daarop naar hun nieuwe pand nabij het splinternieuwe stationsgebouw van de Noordooster Lokaalspoorweg.

Oudst bekende prentbriefkaart van het Stationskoffiehuis Frijling, ca. 1905.

Het gezin bestond uit vier personen. Gerhardus Frijling – in de volksmond beter bekend als Graads Frijling – was geboren op nieuwjaarsdag 1875 in Stad Hardenberg, als oudste zoon van huisschilder Gerrit Frijling en Reintje Barendina Amsink. Gerhardus was aanvankelijk opgeleid als kleermaker, maar toen hij in 1900 in het huwelijk trad met Arendje Knol uit Ambt Ommen was hij al tapper van beroep. Het echtpaar had op De Brink in Heemse twee kinderen gekregen: Reintje Barendina Zwaantina op 14 juli 1900 (twee maanden na hun huwelijk) en Herman Gerard (Herman), geboren op 21 december 1902.

Frijling opende de deuren van het nieuwe café bij het station in het voorjaar van 1905, enkele maanden na de ingebruikname van de spoorlijn. Aanvankelijk konden de reizigers alleen richting Zwolle reizen, maar in de loop van dat jaar reden er ook al stoomlocomotieven met rijtuigen vol passagiers richting Gramsbergen, Coevorden en Emmen. Vanaf dat moment werd het etablissement Stationskoffiehuis Frijling genoemd. De zaak van Frijling liep goed, fungeerde ten dele als ‘wachtlokaal’ voor de treinreizigers, maar er werden ook frequent vergaderingen belegd. Zo waren er bijeenkomsten en jaarvergaderingen van de landbouwvereniging, de tuindersbond, de bijenhoudersvereniging enz. De opvolgende notarissen organiseerden er veilingen, maar ook werden er aanbestedingen gehouden.

Prentbriefkaart van de Stationsweg (Stationsstraat), met rechts het stationskoffiehuis Frijling.

Graads was een man met visie. Niet alleen hadden hij en zijn vrouw op een goed tijdstip dit koffiehuis geopend, maar ook ging hij mee met de nieuwste ontwikkelingen. Zo kwam rond 1912 een groep belangstellenden bijeen om te inventariseren of er voldoende belangstelling zou zijn voor het verkrijgen van ‘elektrisch licht’. Graads werd een van de leden van de voorlopige commissie die een lijst van geïnteresseerden zou aanleggen. In september 1913 bleek dat er voldoende animo was. Molenaar Hamberg schafte vervolgens een generator aan en kreeg toestemming van de gemeenteraad om de nodige elektriciteitspalen te plaatsen. Voortaan zou een deel – eerst in de woningen van de meest prominente inwoners – van de stad profiteren van elektrische verlichting, een noviteit!

Enkele jaren later, in april 1916, werd Graads gekozen tot raadslid voor de gemeente Stad Hardenberg, in de vacature Ziegeler. Het Stationskoffiehuis was in die tijd geadresseerd aan de Stationsweg B-106. Pas jaren later zou de straatnaam gewijzigd worden in wat het heden ten dage nog is: Stationsstraat.

Op 16 december 1921 overleed Graads, op 46-jarige leeftijd. Zijn lichaam werd begraven op het oude kerkhof Nijenstede. De grafsteen staat er nog altijd. Het drukke stationskoffiehuis werd vervolgens overgenomen door weduwe Arendje Frijling-Knol. Haar net volwassen zoon Herman was een maand voor het overlijden van zijn vader verhuisd naar Zwolle om er ervaring op te doen als kantoorbediende. Hij kwam begin februari 1922 terug naar Hardenberg om zijn moeder te kunnen assisteren. Ook de werkzaamheden aan de waag en de handel in varkens kon hierdoor op de oude voet worden voortgezet.

Drie maanden na het overlijden van haar man stuurde Arendje een verzoekschrift aan het gemeentebestuur. De gemeente had namelijk besloten om het maximum aantal drankvergunningen in de gemeente terug te brengen van zes naar vier, mede op instigatie van de Vereeniging tot Drankbestrijding Hardenberg-Heemse. De vergunning voor het cafébedrijf van Frijling was afgegeven op naam van haar overleden man. Hierdoor bestond nu het gevaar dat Arendje de vergunning voor verkoop van sterke drank in het klein voor haar twee lokalen per 1 mei zou kwijtraken. Die vergunning had men al sinds 16 maart 1905, reden waarom zij er bij het gemeentebestuur op aandrong om het niet in te trekken, maar op haar naam te zetten. Als motivatie gaf ze mee dat haar café de enige was in de nabijheid van het drukke spoorwegstation, alwaar geen buffet bestond (in het stationsgebouw was geen tapperij gevestigd). Ook bevond zich bij het Stationskoffiehuis Frijling de waag voor de af te leveren varkens en runderen en in haar lokaliteiten werden vele vergaderingen gehouden. Arendje was van mening dat onomstotelijk vaststond dat er behoefte was aan een drankvergunning op deze plek, ook met het oog op het reizend publiek. Ze verzocht daarom de Koningin om de gemeente Stad Hardenberg te machtigen om voor haar koffiehuis een vergunning te verlenen boven het door de gemeente vastgestelde maximum. De gemeenteraad stemde in met haar verzoek; de machtiging werd afgegeven en zo kon het Stationskoffiehuis worden voortgezet, met de vergunning op naam van Arendje.

Grootschalige verbouw van het café van de weduwe G. Frijling tot café-restaurant, anno 1923.

Deze beslissing was cruciaal voor het voortbestaan van het horecabedrijf. Met haar zoon bestierde Arendje het drukke café en onverwijld gingen zij over tot de uitbreiding ervan. In 1923 lieten ze het pand grootschalig verbouwen door er een extra bouwlaag bovenop te laten zetten. Daarbij werden op de bovenverdieping acht hotelkamers gerealiseerd, maar ook een bodekamer. De oude voorgevel werd volledig weggebroken en daarvoor kwam een nieuwe in de plaats, opgetrokken van nieuwe stenen. Het voorfront werd afgewerkt in fraai metselwerk met twee balkons, waarvan het grootste uitgevoerd in sierlijk smeedijzer tussen gemetselde kolommen. Volgens het bestek werden de nodige versieringen aangebracht voor ramen, bogen, drempels en ‘uitmetselingen’. Op de benedenverdieping was vervolgens ruimte voor een grote zaal van 10 x 4,5 meter, een eetzaal en een salon. Voor het café werd een nieuwe waranda (veranda) aangebracht. Het geheel gerenoveerde stationskoffiehuis zou voortaan Hotel-café-restaurant Frijling heten, zoals in gemetselde stenen in het muurwerk was aangebracht. In advertenties werd het veelal kortweg ‘Hotel Frijling’ genoemd.

Voerman en vrachtrijder Albert Ophof (geb. 1911) voor Café Frijling (bron: Historische Vereniging Hardenberg)

Datzelfde Hotel Frijling zou vijf jaar later op opmerkelijke wijze de landelijke kranten halen. In november 1928 namelijk kreeg Hardenberg een nieuwe notaris toegewezen, met als standplaats het vacante kantoor van notaris Zwamborn in Heemse. De nieuw benoemde notaris was mr. Frans Willem van Riemsdijk, een kleinzoon van de vroegere huisarts van Hardenberg met dezelfde naam. Notaris
Van Riemsdijk was op 30 oktober 1928 officieel beëdigd en nog diezelfde dag met de trein in Hardenberg gearriveerd, afkomstig uit Andijk waar hij tot dat moment het notarisambt had vervuld. Hij bracht de nacht door in een van de hotelkamers van Frijling, voor hij de volgende ochtend naar zijn nieuwe kantoor zou gaan. Wat er vervolgens gebeurde, is duidelijk geworden door het proces-verbaal dat bewaard is gebleven in het archief van de gemeente Stad Hardenberg. Gemeenteveldwachter Johannes Fredrikus Vosjan ging, zodra hij vernam van het bijzondere sterfgeval, meteen naar het hotel en beschreef wat hij aantrof:

In bovengenoemd hotel trof ik den zwager van den overledene aan, genaamd F.J.P. Moquette, arts te Nijverdal, die mij opgaf de namen van den overledene en wel Frans Willem van Riemsdijk, geboren te Hellendoorn den 15 juni 1879, van beroep notaris en wonende te Andijk. Verder heb ik gehoord, de hotelhoudster, genaamd Arendje Frijling-Knol, geboren den 26 nov. 1877 en wonende te Stad Hardenberg, wijk B-106, die mij verklaarde dat de overledene woensdagavond nog gezellig had zitten praten met haar. Hij was omstreeks elf uur naar bed gegaan en had gevraagd of ze hem den volgenden morgen om half acht wilde wekken. Zij had niets bijzonders aan hem vernomen. Den volgenden morgen half acht was de dienstbode naar boven gegaan om meneer te roepen, maar kreeg na drie keer op de deur te hebben geklopt geen antwoord. Daarop was zij zelf gaan kijken door een raampje en had gezien dat het niet in orde was. Men had besloten het slot van de deur te forceren, hetgeen geschiedde door grofsmid Leen Schuurman. Toen men toegang had, vond men hem liggen, reeds verstijfd. De dood was dus al reeds eenigen tijd ingetreden, hetgeen de ontboden dokter bevestigde.

Prentbriefkaart van ‘de Entree te Hardenberg’, met het hotel-café-restaurant Frijling en geheel links ‘Aurora’, het pakhuis van de coöperatieve landbouwvereniging.

Datzelfde jaar nog, op 17 december 1928, ontving de burgemeester van Stad Hardenberg een brief van ‘eenige ingezetenen’ van zijn gemeente. In die brief werd met klem verzocht maatregelen te treffen zodat zij niet langer ’s nachts tot een of twee uur hoefden te wachten op huisgenoten die dan nog uit het Café Frijling moesten komen. Letterlijk schreven ze:

Wanneer in Hardenberg alles in rust is, gaat het daar nog vroolijk toe. Vooral van zaterdag op zondag is het heel erg. Zou het niet mogelijk zijn om voor die personen die er niet logeeren een gebod in te voeren om tegen tien uur het café te verlaten?

De burgemeester nam de brief voor kennisgeving aan en verzocht Frijling om de sluitingstijden te respecteren. Of de brief van de verontrustte ingezetenen verder nog enig effect heeft gesorteerd, valt te betwijfelen…

Prentbriefkaart van hotel-café-restaurant Frijling.

Zoals vermeld was aan het hotel-café een waag verbonden. Daar kwamen de boeren met hun varkens en runderen die voor de handel bestemd waren, om ze te laten wegen. De waag was geplaatst in een naast het hotel gebouwde schuur (waar nu snackbar Riant gevestigd is). De gewogen dieren werden per gewicht verhandeld. Vooral werden er grote aantallen varkens gewogen van de nabijgelegen exportslachterij de N.V. Bacon Factory Hardenberg van de familie Nijman. Naast het wegen van de varkens werd er in de beesten gehandeld door de familie Frijling. Daar was Graads al kleinschalig mee begonnen, maar voor zoon Herman werd het uiteindelijk de belangrijkste bron van inkomsten. Vele jaren is hij in dienst geweest van de exportslachterij. Herman kende alle boeren bij hun bijnaam, maar moest telkens naar hun echte naam vragen wanneer hij die op een weegbriefje moest zetten. De waag heeft bestaan tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Het werd overbodig toen men ertoe over ging om geslacht af te rekenen. De dieren hoefden toen niet langer levend gewogen te worden.

Prentbriefkaart van het stationsgebouw van de Noordooster Lokaal Spoorweg (N.O.L.S.), met links het hotel-restaurant-café Frijling.

Het archief van de voormalige gemeente Stad Hardenberg bevat verschillende brieven die verzonden zijn door de familie Frijling, waarin ze vragen om de sluitingsuren van het café te verruimen ten tijde van bijzondere evenementen in zijn zaak. Ook is een brief van het gemeentebestuur aan de weduwe Frijling, gedateerd 30 mei 1932, bewaard gebleven. In die brief wordt de hotelhoudster meegedeeld dat er van gemeentewege geen bezwaren zijn tegen het plaatsen van een reclamebord aan de Gramsbergerweg en Bruchterweg. Op die borden werd het Bondshotel Frijling tegenover het Station aangeprezen, o.a. door te verkondigen dat alle kamers beschikten over stromend water!

Woningen aan de Burgemeester Schuitestraat, gezien in de richting van café Frijling (fotograaf: Pieter van Grieken, Hardenberg)

In de zomer van 1932 sloeg de bliksem in het pand van Frijling. De goot ging aan gruzelementen, maar verder viel de schade mee. Twee jaar later, op 11 augustus 1934, werd in Hardenberg het openluchtzwembad op De Marsch geopend. Bij het bad was een heus paviljoen of theehuis gerealiseerd. Dat theehuis werd vanaf de opening geëxploiteerd door de uitbaters van het Hotel Frijling.

Herman Frijling trouwde op 6 juni 1935 in Avereest met Maria Schotkamp. Zij was een dochter van de aannemer Lucas Schotkamp uit Dedemsvaart. Het echtpaar bestierde samen het etablissement bij het station, geholpen door moeder Arendje en enkele bedienden. Bijna ieder jaar, rond 1 mei, namen ze nieuwe dienstboden aan: Aaltje Drenthen, Hermina Veurink, Geesje van der Veen, Berta Jeurink, Anna Kwant en Janna Dekker hielpen in de huishouding. Ook was er een heuse kelner in dienst: Hermanus Johannes Woltman. Herman en Marie Frijling kregen op 22 juni 1937 een zoon, Arend (Aart) genaamd.

Er is nog een aardige anekdote uit de tijd dat Herman Frijling caféhouder was. Zo kwam er eens een boerenjongen uit Baalder in het café. De jongeman was met de trein teruggekomen uit Amersfoort, alwaar hij zes weken intern was opgeleid voor militaire dienst. Die zes weken in het westen hadden hem ‘stadse fratsen’ gegeven, want hij vroeg aan Herman: Is d’r ok nog een fiets voor mij gekomme?, waarop Herman antwoordde: Ik kan oe nie verstoan! De vraag en het antwoord werden een aantal malen herhaald, totdat de jongen weer ‘gewoon’ Boalders plat sprak en Herman hem netjes antwoord gaf…

Briefhoofd van hotel-café-restaurant Frijling, anno 1937.

Dat er soms ‘bijzondere gasten’ in het café kwamen, blijkt wel uit een advertentie in De Vechtstreek van 11 maart 1939. Daarin adverteerde ene M. Wesselink, als opvolger van wijlen de heer A. Kaspar, dat hij als magnetiseur spreekuur zou houden in ‘Hotel Frijling tegenover ’t station’. Uit overlevering is bekend dat de magnetiseur bijvoorbeeld mensen liet ‘zwemmen’ in houtkrullen die op de grond van het café waren uitgestrooid. Hij haalde allerlei ‘grappen’ met ze uit. En van zijn cliënten werd daarom gekscherend door de stamgasten Flip in de krull’n genoemd. De kleine Aart mocht rondkruipen over de vloer van ’t café. Hij weet nog goed dat hij onder ’t biljart doorkroop, de stekker aanraakte en vervolgens een flinke optater kreeg.

En toen brak de oorlog uit. De Overijsselsche Courant schreef op 16 augustus 1940 dat op initiatief van de afdeling Hardenberg-Heemse van de Chr. Vereeniging van Huisvrouwen een vijftigtal kinderen uit het zwaar getroffen Rotterdam naar onze streek was gehaald. Vele belangstellenden waren naar het station gekomen om de aankomst van de kinderen bij te wonen. Daar werden ze verwelkomd door de voorzitster, mevrouw Boekhoven, in het bijzijn van burgemeester Oprel. De kinderen werden eerst getrakteerd op een kop warme chocolademelk en een krentenbol in Hotel Frijling, waarna ze over de vele pleegouders werden verdeeld. Meerdere pleegouders waren met paard en wagen naar Frijling gekomen, zodat de ‘vakantie in Hardenberg’ voor vele Rotterdammertjes begon met een fraaie rijtoer door onze omgeving…

Het ‘werken’ in een café vond opa Lucas Schotkamp maar helemaal niets voor zijn dochter. Hij vond ook dat zij dat eigenlijk helemaal niet aankon. De aannemer zelf was in 1939 al gaan rentenieren. Hij bewoonde het door hemzelf gebouwde riante woonhuis op de hoek van de Stationsstraat en de Julianastraat in Hardenberg en bezat zo’n dertien woningen die hij verhuurde. Schotkamp herhaalde regelmatig dat hij de horeca niet waardig genoeg vond en dat leidde er uiteindelijk toe dat Herman Frijling ‘luisterde’ naar het dringende advies van zijn schoonvader om de horecagelegenheid – eigenlijk tegen zijn zin – van de hand te doen. Het was in 1941, ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, dat hij huurders vond voor zijn zaak. Het waren Wicher Akkerman en Elizabeth van der Laan uit het Groningse Nieuwe-Pekela. De familie Frijling verhuisde naar de door vader Schotkamp in 1938 gebouwde dubbele woning aan de Gramsbergerweg. Herman Frijling legde zich in ’t vervolg volledig toe op de handel in varkens.

Hotel Akkerman
De nieuwe uitbaters van het oude hotel-café-restaurant bij het station waren dus Wicher Akkerman en zijn vrouw. Voor hun komst naar Hardenberg was het echtpaar ook al werkzaam in de horeca. In Nieuwe Pekela huurden ze namelijk het hotel Te Bos. Een vertegenwoordiger had hen geattendeerd op het te huur staande café in Hardenberg, en zo waren ze in zuidelijke richting hun geluk gaan beproeven. Aanvankelijk – tijdens de oorlogsjaren – huurden de Akkermans het pand, maar later (op 6 juni 1947) kochten ze het van de familie Frijling. Tijdens die bezettingsjaren waren de hotelkamers gevorderd door Duitse officieren die er lagen ingekwartierd. Wicher Akkerman was, zoals dat zo mooi heette, ‘commissionair van de varkens’. Als tussenpersoon sloot hij in eigen naam overeenkomsten, maar voor rekening van een opdrachtgever. Hij was in die
hoedanigheid verplicht om de identiteit van zijn opdrachtgever geheim te houden. ’s Maandags werden varkens afgeleverd. Kooplui kwamen van de markt terug en waren vaak enigszins beschonken. Na nog een aantal alcoholische versnaperingen ‘bij Akkerman’ fietsten ze verder en legden nog een keer aan bij Tonnis aan ’t Kanaal, alvorens huiswaarts te keren…

Café Akkerman had vele stamgasten. Vooral ’s avonds was het er vaak druk. Er werden verschillende spelletjes kaart gespeeld, waaronder bridgen, maar ook kon er gebruik worden gemaakt van de biljarttafel. De hotelkamers werden meest verhuurd aan vertegenwoordigers die in het restaurant o.a. de welbekende boeren-uitsmijters bestelden. ’s Winters was er op de maandagen een grote
pan met erwtensoep voor de kooplui van de markt. Boer Wieferink van de Stobbenhaar vroeg dan: Vrouw Akkerman, he-j d’r wel een boel beuze in? De Radewijker hield kennelijk van veel vlees, spek en worst in de soep. Bruiloften werden er niet gehouden, want daarvoor was het etablissement te klein. Vergaderingen waren er talloze.

Prentbriefkaart van d Stationsstraat met rechts hotel-café-restaurant W. Akkerman (voorheen Frijling), ca. 1955.

Aan het einde van de jaren ’50 bedacht de gemeente dat het oude café-hotel bij het station zou moeten verdwijnen om plaats te maken voor een verkeersplein. De gemeente wilde de opstallen en ondergrond aankopen om de gebouwen vervolgens te kunnen ‘amoveren’. Het Hotel Akkerman was opgenomen in het op 10 juni 1959 vastgestelde uitbreidingsplan, genaamd ‘Stad Hardenberg’. Daarin was bepaald dat het perceel moest worden heringericht voor verbreding van de Stationsstraat, woning- en winkelbouw en doortrekking van de Lage Gaardenstraat. Drie onpartijdige deskundigen werden ingeschakeld om Akkermans bezittingen te taxeren. Uit het bewaard gebleven taxatierapport valt op te maken dat het pand bestond uit een café-zaal, eetzaal, gang, dubbele w.c., twee woonkamers, een keuken, een kelder en onder de café-zaal een bierkelder. Op de verdieping waren een toilet, voorraadkamer, twee privéslaapkamers en vijf hotelkamers, alle voorzien van vaste wastafels en een balkon over de gehele breedte van het pand. Er was nog geen centrale verwarming. Akkerman oefende, volgens hetzelfde rapport, in de opstallen een goed renderend bedrijf uit.

Hotel Akkerman (fotograaf: H. Willering, Hardenberg).

Akkerman kwam daarop met een plan om een geheel nieuw hotel te bouwen, geholpen door de directie van het Hengelose filiaal van de Amstel Brouwerij, voor een totaalbedrag van 643.000 gulden. Het nieuwe hotel-restaurant zou moeten verrijzen op de westelijke oever van de Vecht, nabij de nieuwe Prins Bernhardbrug op zo’n 200 meter afstand van het nieuwe gemeentehuis, met uitzicht naar het zuiden op de Vecht- en Veerdelta. Een klinkende naam had Akkerman ook al, namelijk Gulden Spoor. Het lag in de bedoeling het hotel later uit te breiden met een zaal voor zeshonderd zitplaatsen. Het Noord-Oosten van 20 december 1963 schreef erover:

De plannen zijn thans definitief en tevens heeft de afdeling recreatie van het ministerie van Economische Zaken er haar goedkeuring aan gehecht. Voorlopig zullen er 25 à 30 bedden worden geplaatst. Er zal bovendien een restaurant worden ingebouwd, een zaalruimte en een terras langs de weg. Het oude gebouw gaat naar de gemeente. Het wachten is nu nog op de bouwvergunning van het rijk.

De plannen kwamen echter niet verder dan de tekentafel. De vergunning kwam er niet en Akkerman bleef actief op het oude plekje nabij het station. De gemeente liet haar plannen voor een verkeersplein varen. In april 1964 droeg Wicher Akkerman de leiding van het hotel over aan zijn schoonzoon Kees Koesveld die getrouwd was met zijn dochter Ida. Wicher beperkte zich voortaan tot zijn
werkzaamheden als inkoper van de firma Udema uit Gieten. In datzelfde jaar kocht de gemeente Hardenberg een stukje grond van Akkerman om de Lage Gaardenstraat door te kunnen trekken tot aan het Stationsplein. Op dat perceel stond nog een zgn. ‘varkensloop’, een gedeeltelijk met pannen gedekt afdak, omgeven door een houten afrastering. De varkensloop was een open aanbouw van de varkenswaag, de aangrenzende bergschuur. De opstal werd gesloopt en de weg werd doorgetrokken. Het waaggebouw werd in die tijd nog gebruikt voor het wegen en verladen van varkens voor een inkooporganisatie, waarvan Akkerman bestuurslid was.

Café Stroeve en Kota Radja
Kort na de overname door het echtpaar Koesveld ging het hotel ook open op zondag. Dat was opmerkelijk, want in die tijd was er geen enkele horecagelegenheid op de rustdag geopend. De bezoekers van het nabij gelegen Röpcke-Zweersziekenhuis, die vaak uren moesten wachten op een bus of trein, konden voortaan van Hotel Akkerman gebruik maken om een kopje koffie te drinken. Eind 1964 besloot het echtpaar om het oude hotel geheel te laten restaureren en in oude luister te herstellen. Ook verbonden ze een nieuwe slijterij aan het bedrijf, dat door een afzonderlijke ingang bereikbaar was. De drankwinkel werd kort voor kerst 1964 officieel in gebruik genomen. Het horecabedrijf zou nog vier jaren in handen blijven van Koesveld, waarna het werd verkocht aan Harm Stroeve uit Steenwijkerwold. Gedurende de jaren zeventig werd het geëxploiteerd door Stroeve. De naam van het pand veranderde na dertig jaar ‘Hotel Akkerman’ in ‘Café Stroeve’. Aan het begin van het volgende decennium was de exploitatie beëindigd en kwam het pand leeg te staan. Het werd er niet beter op, getuige onderstaande foto anno 1981.

Uit datzelfde jaar 1981 dateren de ‘wilde plannen’ van een viertal heren om het pand te verbouwen en uit te breiden tot een chique café-restaurant. De heren Reinder Jonkhans uit Radewijk, Gerrit Muller (eigenaar van een meubelzaak) uit Hardenberg, dokter Jan van den Hoeven uit Hardenberg en Henk van Wezel (directeur van Larcom) hadden het pand gezamenlijk gekocht. Het bleef echter bij plannen toen zich uit onverwachte hoek een kandidaat-koper meldde voor het enigszins vervallen horecaperceel.

Het college van Burgemeester en Wethouders van Hardenberg werd benaderd door een zekere C.C. Wang uit Raalte die plannen ontvouwde om er een Chinees-Indisch restaurant te vestigen. Het viermanschap verkocht daarop het pand, zonder er enige marge op te hebben gemaakt, door aan de Chinese ondernemer.

Op 23 juli 1982 opende Kota Radja officieel de deuren aan de Stationsstraat 24. Het was toen al het derde Chinees-Indisch restaurant in Hardenberg, naast bedrijven aan de Voorstraat en het Oosteinde. Het Noord-Oosten van dinsdag 27 juli 1982 meldde:

Kota Radja, nieuw visitekaartje van Hardenberg
Aan de Stationsstraat in Hardenberg is in het pand van het voormalig café Stroeve het nieuwe Chinees-Indisch restaurant ‘Kota Radja’ geopend. Na een grondige restauratie is uit de puinhopen van het langdurig leegstaande pand een fraai gebouw herrezen dat een aanwinst voor de omgeving is geworden. Kota Radja is het eigendom van het familiebedrijf Chang en Wang, twee aan elkaar verwante families die ook al restaurants hebben in Twello, Meppel en Raalte. Dit bedrijf is dus het vierde in de serie. De opening ging zonder officieel vertoon, maar op een feestelijke wijze voor heel de buurt. Alle bewoners van de Stationsstraat en een aantal relaties uit onder meer de horecawereld hadden een uitnodiging ontvangen voor een feestelijke maaltijd. Dus geen autoriteiten bij de opening, hoewel een plaatselijke notabele tijdens het feest met zijn echtgenote voorbij fietste. De culinaire gerechten van de chefkok waren van dien aard dat zelfs de indieners van de bezwaarschriften, waardoor de bouw bijna een jaar werd tegengehouden, zichtbaar genoten van hetgeen werd opgediend…

Inmiddels, bijna veertig jaren later, is het pand nog altijd in gebruik als chinees restaurant, hoewel het een aantal malen van eigenaar verwisselde. Op de achterzijde van het restaurant, hoog boven in de gevel, is een herinnering zichtbaar aan de tijd dat het wijd en zijd bekend stond als ‘Hotel Frijling’…

Kadastrale geschiedenis
Legger 519/1: Sectie A-435. Bouwland. Eigendom van metselaar Evert Kosters en echtgenote Hendrikje Veurink. In 1863 stichting woonhuis. Over op:

Kadastrale hulpkaart, 19 maart 1863 (sectie A-1254).

Legger 519/2: Sectie A-1254. Huis en erf. Huisnr. B-17. In 1895 verkoop. Over op:
Legger 882/22: Sectie A-1254. Huis en erf. Eigendom van bakker en winkelier Carel Wynoldus Hombrink en echtgenote Willemina Frederika van der Velde. Huisnr. B-17. In 1901 verkoop. Over op:
Legger 1590/2: Sectie A-1254. Huis en erf. Eigendom van kleermaker, caféhouder Gerhardus Frijling en Arendje Knol. Huisnr. B-17. In 1902 sloop en herbouw. Over op:
Legger 1590/4: Sectie A-1254. Huis en schuur. Huisnr. B-17. In 1903 herbouw. Over op:

Kadastrale hulpkaart, juni 1903 (sectie A-1784).

Legger 1590/6: Nieuwe sectie A-1784. Huis, schuur en bouwland. In 1906 verkoop, bijbouw en hermeting. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, mei 1906 (sectie A-1964).

Legger 1590/7: Nieuwe sectie A-1964. Huis, schuur en tuin. In 1906 inwendige verandering. In 1907 gedeeltelijke herbouw.

Kadastrale hulpkaart, april 1908 (sectie A-1964).

In 1908 en in 1909 bijbouw. In 1911 stichting. Over op:

Kadastrale hulpkaart, februari 1912 (sectie A-1964).

Legger 1590/11: Sectie A-1964. Huis, schuren en erf. Huisnr. B-85. In 1923 op- en bijbouw. Over op:
Legger 1590/18: In 1929 bijbouw. Over op:
Legger 1590/19: In 1935 boedelscheiding. Over op:
Legger 2766/3: Sectie A-1964. Huis, schuur en erf. Eigendom van logementhouder Herman Gerard Frijling. Huisnr. B-85. In 1940 vergroting schuur. Over op:
Legger 2766/9: In 1947 verkoop. Over op:
Legger 3114/1: Sectie A-1964. Huis, schuur en erf. Eigendom van hotelhouder Wicher Akkerman. In 1961 hermeting enz. Over op:

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1961 (sectie A-3511).

Legger 3114/2: Nieuwe sectie A-3511. Huis, schuur en tuin. Wicher Akkerman overleed op 8 mei 1967. In datzelfde jaar splitsing bij overdracht. Over op:
Legger 3114/4: Sectie A-3511. In 1968 verkoop enz. Over op:

Kadastrale veldwerkkaart, anno 1968 (sectie A-4126).

Legger 3940/2: Nieuwe sectie A-4126. Café, schuur en erf aan de Stationsstraat. Eigendom van I.T.E. Akkerman, echtgenote van K. van Koesveld. In 1972 verkoop. Over op:
Legger 4174/1: Eigendom van caféhouder Harm Stroeve (geb. 19-12-1909). In 1976 verkoop. Over op:
Legger 4428/1: Eigendom van caféhouder A. Stroeve. In 1980 verkoop. Over op:
Legger 4679/1: Eigendom van Exploitatiemaatschappij van Horeca en aanverwante bedrijven Jonkhans B.V. te Hardenberg. In 1981 verkoop. Over op:

Kadastrale veldwerkkaart, 3 juli 1981 (sectie A-4126).

Legger 4685/1: Eigendom van kelner C.C. Wang en kok P.T. Chang.

Kadastrale veldwerkkaart, november 1983 (sectie A-4126).
Kadastrale veldwerkkaart, december 1986 (sectie A-4126).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.