Holtman of Holtjans

In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg vinden we deze akte, gedateerd 18 maart 1782:
Ik Jacob van Riemsdijk, van wegens hoger overigheid verw. Scholtus van den Hardenbergh, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere hiermede dat voor mij en keurnoten, die waren Arend Ophof en B. Kamferbeek, persoonlijk in den gerigte gecompareerd en erschenen zijn Harmen Amsink en deszelvs ehevrouw Zwaane Elisabeth Boerrigter, tutore marito, en verklaarden zij comparanten wegens opgenomene en aan haar verstrekte penningen en verdere berekende schulden waaronder mede van ’t kerkenland, opregt en deugdelijk schuldig te wezen aan de heer Barend van Borne, burgermeester der stad Hardenbergh, een capitale somma van tweehonderd en vijftigh car. guldens ad twintig stuivers het stuk, zegge 250 guldens. Aannemende en belovende zij comparanten dezelve jaarlijks en alle jaaren tot de aflosse toe te zullen verrenten met drie guldens en vijftien stuivers van ieder honderd gerekend; zullende het eerste jaar interesse hiervan wezen vervallen op den negentienden februarij 1700 drie en tachentigh, en zoo vervolgens tot de aflosse continueren. Verklarende zij comparanten onder renuntiatie van alle exceptien en in specie van die van onaangetelden gelde, boven een generaal verbond van haare personen en goederen, geene uitgezonderd, daarvoor bij dezen tot een speciaal hijpotheecq en onderpand te verbinden en te stellen haar comparanten eigendommelijke halfscheid van de katerstede of keuterplaatse, wordende thans bewoond en bemeijerd door Gerrit Holtman, met de daarbij en onder gehorende landerijen en regt van waardeel, gelegen in de boerschap en markte Brugt onder dit Schoutampt, ofte wel alle zodanige vaste goederen als zij comparanten in en onder de boerschap Brugt in eigendom zijn bezittende; ten einde om in geval van onverhoopte misbetalinge zo van capitaal als renten, als dan het bovengemelde capitaal van tweehonderd en vijftigh guldens met de onbetaalde interessen daaraan ten allen tijde kost en schadeloos te kunnen en mogen verhalen. In kennisse der waarheid is dezen door mij verw. Scholtus voornoemd met de comparanten getekend en gezegeld. Actum Hardenbergh den 18den maart 1700 twee en tachentigh.

Vervolgens vinden we deze akte in het vrijwillig rechterlijk archief, gedateerd 10 mei 1790:
Ik G.J. Crull, van wegens hoger overheid verw. Scholtus van den Hardenberg, Heemse en Gramsbergen, doe cond en certificere, dat voor mij en keurnoten, die waren B.J. Amsink en Jan Holtman, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Jan Oelbers en deszelfs huisvrouw Geertruid Roelofs, ehelieden, tutore marito, woonachtig te Brucht, bekennen opregt en deugdelijk schuldig te zijn aan burgem. Rutger Sandman en deszelfs huisvrouw Jannigjen Egtberdina Rustenberg, tutore marito, woonachtig ten Hardenberg, wegens opgenomen en ter leen verstrekte penningen, eene summa van duizend Caroli guldens, onder renunciatie van alle exceptien die deze enigzins mogten contrariĆ«ren en in specie van die van ongetelden gelde, waarvan zij comparanten aannemen ’s jaarlijks en alle jaar aan intresse te betalen tegen drie guldens en vijff stuivers van ieder honderd, tot de aflosse toe, van welke duizend guldens ’t eerste jaar intresse zal verschijnen op den eersten meij 1791, welke aflosse en weeropbrenging van dit capitaal weer zal kunnen en moeten geschieden nadat van de een off anderekante een halff jaar voor de verschijndag behoorlijke opzage geschied zal zijn, stellende en verbinden zij comparanten, zo voor het genoemde capitaal en verschenene intressen hare personen en goederen, zo onder dezen weled. gerichte gelegen, en wel tot een speciaal hijpotheecq en odnerpand haar comparanten op den 6 septemb. 1789 aangekogt erve van H. Amsink en A. ter Steeg, genaamd het erve Holtjans, gelegen te Brucht, met alles wat daarbij en aangehoord, zo en in diervoegen, zoals het door hun comparanten gekogt en overgedragen is, om in cas van onverhoopte misbetaling van dit bovengenoemde capitaal, met de verschenene intressen, daaraan kost- en schadeloos te kunnen en mogen worden verhaald. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voornoemd, deze benevens de comparanten getekend en gezegeld, en alzo zij comparanten geen zegels hebbende, zo heb deze op haar verzoek met mijn klein zegel gezegeld. Actum Hardenberg, den 10 meij 1700 negentig.

De daadwerkelijke overdracht van ’t erve Holtjans te Brucht vond plaats op 20 augustus 1790. Op die dag verschenen Harmen Amsink en Arend ter Steeg, beide wonend te stad
Hardenberg, dat ze hun gezamenlijk bezeten erve overdroegen aan Jan Oelbers en echtgenote Geertruid Roelofs. In de akte worden de onroerende goederen beschreven als volgt: haar eigendommelijke erve Holtjans, gelegen te Brucht, waaronder behoorende nabenoemde landerijen. Vooreerst den Holtkamp, groot ongeveer vier schepel gezaaij, met het huis daarop staande, met nog drie stukjes land, gelegen in den Legen Esch, groot ongeveer zes schepel gezaaij, met de waare, een stukje land genaamd het Peppelenstukjen, groot ongeveer twee schepel, een stuk land gelegen bij Niesink, groot vier schepel gezaaij; zijnde dit land (behalven den Holtkamp daar het huis opstaat) alle tiendbaar, een gaardentje groot ongeveer een spind land, nog een stuk land, genaamd het Bollemaatstukje, groot ongeveer twee schepel gezaaij, uit dit land gaat alle jaar drie garst behoorende aan de kerke te Heemse, hetzelve moet van de noordzijde uitgenomen worden, met nog een waare van twe stukken land, eene genaamd het Hekkestukke, en het andere geheten den Mollenkamp, en zulkx met zijn regt en geregtigheid, raad en onraad, lusten en lasten van dien, daarbij en aangehorende.

Jan Oolbers uit Bergentheim was op 20 september 1789 te Hardenberg getrouwd met Geertruid Roelofs uit Heemse. Aanvankelijk woonde het echtpaar in Heemse, waar hun eerste kind geboren werd, maar op 2 november 1791 werd op ’t Holtmans in Brucht hun zoon Roelof geboren. Drie jaar later, op 19 maart 1794, werd zoon Albert geboren.

Schout J.G. Pruim registreerde op 14 april 1795 een overdrachtsakte op verzoek van Jan Oolbers en echtgenote Geertruid Roelofs te Brucht. Zij verklaarden 1000 gulden exclusief rente schuldig te zijn aan oud-burgemeester Rutger Santman en echtgenote J.E. Rustenberg. Ze losten die hypotheek af door de katerstede Holtjans aan de geldverstrekkers over te dragen.

Op 26 december 1805 verschenen burgemeester R. Santman en echtgenote J.E. Rustenberg voor de schout. Ze verklaarden de katerstede het Holtmans te Brucht over te dragen aan Willem Derks en echtgenote te Brucht. Op 6 mei 1804 was te Hardenberg het huwelijk voltrokken tussen Willem Derks Zantkamp uit Beerze en Janna Berends Brinkman uit Giethmen. Hoewel bruidegom en bruid afkomstig waren uit het schoutambt Ommen, trouwden ze in Hardenberg en vestigden ze zich in Brucht.

 

 

Bij de aanvang van het kadaster in 1832 werd het erfje Holtmans, gelegen in ’t zogenaamde Onderveld, geregistreerd onder sectie F no. 424 op legger 54a ten name van de marke van Brucht. Het recht van opstal was verleend aan dagloner Willem Derks Zandkamp die het erf pachtte van het markebestuur.

 

Fragment van kadastrale minuutkaart, anno 1832.

 

Legger 54a/1: Huis en erf. Sectie F-424. In 1840 volgde afbraak en in 1861 markeverdeling. Over op:

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1861. ’t Holtmans, gelegen tussen ’t Koeveen en ’t Zilverveen, is afgebroken…

 

Legger 1060/6: Bouwland. Nieuwe sectie F-707. Eigendom van Gerrit Holtman, landbouwer te Brucht. ’t Holtmans of Holtjans zou nu geadresseerd moeten worden ter hoogte van de Bruchterbeekweg 1.