’t Wolbink

Gemeentelijk monument: de boerderij van het voormalige erve Wolbink aan De Steeghe in Ane. Rechts een groot bakhuis (Fotograaf: E. Wolbink, Hardenberg).

Van alle boerenbehuizingen in Ane, die omstreeks 1830 op de kadastrale kaart werden ingetekend, vertegenwoordigt het Wolbink wel de meest uitzonderlijke bouwwijze. Het bezat toen nog een zogenaamd achteroet, dat wil zeggen dat de ruimte tussen haardvuur en voormuur was verbreed door een erkerachtige uitbouw in laatstgenoemde. Misschien maakte die uitbouw achter het haardvuur de behuizing meer geschikt voor het huisvesten van een herberg en het houden van vergaderingen…

Het Wolbink is hoe dan ook een eeuwenoud erf en wordt, voor zover bekend, voor het eerst vermeld in een oorkonde van 6 oktober 1422 waarbij Aloff van den Rutenberge werd beleend met het Wilbading toe Aene. Uit het schattingsregister van Salland over het jaar 1520 blijkt dat het Wolbink bewoond werd door Aelbert Wolbertinck. Hij pachtte de boerderij en de daarbij behorende landerijen van Reynt van Aeswijn, de heer van Gramsbergen. In 1675 werd het Wolbink bewoond door Egbert Wulbink die toen ook de functie van veldschutter in de marke Ane en Anevelde vervulde. Het Wolbink was in die tijd nog altijd eigendom van de heer van Gramsbergen, die tevens erfmarkerichter was. Het eigendom van het Wolbink, ook wel Woelerdink of Loshaar genaamd, ging in 1710 gedeeltelijk over in handen van de adellijke familie Bentinck. De andere nieuwe eigenaren waren de in Ane woonachtige families Habers en Tielen. Gezamenlijk waren ze leenhorig aan de havezate Werkeren bij Zwolle. Berend Adolf baron Bentinck, heer van het Wolda, werd op 20 september 1723 beleend met het Wolbink.

Uit de landelijk gehouden volkstelling van 1748 blijkt dat het erve in Ane bewoond werd door Hendrik Wolbink en zijn vrouw Trijne Kieft met hun kinderen Gerrit, Derk en Geesken die allen ouder waren dan tien jaar, en de kinderen Jennegien en Evert die jonger waren. Zij pachtten de boerderij en een deel van het erve Wolbink van Joachim baron Bentinck, heer van het Wolda. Deze edelman werd echter genoodzaakt zijn onroerende goederen grotendeels van de hand te doen vanwege een behoorlijke schuld aan de joodse koopman Isaac Moses. De baron verkocht het Wolbink in september 1772 aan Christiaan Warner Jacob baron van Coeverden tot den Doorn en zijn vrouw Hendrina Jacoba baronesse van Raesfelt, een schoonzusje van de bekende Clara Feyoena. Nog in datzelfde jaar liet de nieuwe eigenaar het Wolbink ontslaan uit de leenplicht van de leenkamer Werkeren. In ruil daarvoor, en met dichte portemonnee, stelde hij een ander erve als nieuw leengoed: het erve Eggengoor in Holtheme. De originele akte van deze ‘vrijmaking’ was geschreven op francijn, waar aan een francijne steert was hangende een groot zegel, gedrukt in rooden wassche.

Ruim elf jaren later, in 1783, stelde Christoffel Daniel baron van Coeverden tot den Doorn, zoon van Christiaan Warner Jacob, het Wolbink als onderpand voor een lening van 3500 carolyguldens. Dat geld had hij geleend van Everhard Godefridt Molkenbour. Het jaar daarop verhuisden de pachters Gerrit Wolbink en Wibbegien Everts naar Ommen. Kort na hun vertrek werd het Wolbink verpacht aan Jan Vrielink en Aaltje Hierink. De op het erve Wolbink rustende hypotheek werd op 21 februari 1787 afgelost vanwege de verkoop ervan aan de geldverstrekker Everhardt Godefridt Molkenbour, die kapitein in dienst van de Verenigde Nederlanden was. Voor een totaalbedrag van 4750 gulden werd hij de nieuwe eigenaar, zoals blijkt uit de overdrachtsakte die bewaard gebleven is in het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg. Everhardt Godefridt was de ongehuwde zoon van burgemeester Hendrik Molkenbour en Kunira Kramer uit Hardenberg. Bij zijn overlijden, in maart 1790, verviel het erve Wolbink aan zijn erfgenamen.

Uit het markeboek van Ane blijkt dat de zogenaamde holting, de markevergadering, op 9 oktober 1798 werd gehouden in het huis van Jan Vrijlink op ’t Wolbink. Dezelfde Jan Vrijlink of Vrielink zat de vergadering in 1802 voor als plaatsvervangend markerichter. Een van de eerste trouwakten van de in 1811 ingevoerde burgerlijke stand betreft het huwelijk van genoemde Jan Vrielink als weduwnaar. Hij was toen 50 jaar oud en wonende te Aane, doende tapperij. Hij trouwde met weduwe Gerridina Jans uit Stegeren. In 1820 werd nog aangetekend dat Jan Vrijlink kastelein in Ane was, waaruit we mogen concluderen dat het Wolbink toen inderdaad een tapperij herbergde. Toch moeten de Vrielinks het erve korte tijd later hebben verlaten, want op 7 oktober 1823 vond de notariële overdracht plaats waarbij het Wolbink door Roelof van Langen, weduwnaar van Cunera Alberta Mulder, voor 603 guldens werd overgedragen aan schoolonderwijzer Gerrit Jan Meijlink uit Anevelde. Het erve Wolbink, genummerd 31 in Ane, bestond toen uit het huis met ruim zes en een halve bunder bouwland en gecultiveerde veengrond, tien bunders woeste veengrond, vier bunder groen- en hooiland, een volle whaare in de marke van Ane en Anevelde, twee veenakkers in het Anevelderveen en twee in het Bruineveld en uit een stuk uitgegraven turfveen in den Roode Schans. Verder behoorde nog tot het erve een begraafplaats op het kerkhof in Hardenberg en was men verplicht om jaarlijks twee garsten rogge af te dragen aan de koster aldaar (zie veiling onder aktenr. 333, perceel 14a, scan 59 e.v.). Een jaar later trouwde Gerrit Jan Meijlink met Rieka Habers en samen kregen ze er acht kinderen. Vier ervan stierven op jonge leeftijd.

Overijsselsche courant, d.d. 3 oktober 1823.

Een klein huisarchief van het erve Wolbink bevindt zich nog bij nazaten in Rheeze. Het oudste stuk dateert uit 1812 en betreft de akte van toelating van Gerrit Jan Meijlink tot schoolonderwijzer van de laagste rang. Het archief toont heel mooi de opvolging van eigenaren en bewoners van het Wolbink. Op 9 juli 1824 lieten zowel Gerrit Jan Meijlink als Rieka Haberts een testament registreren door notaris Willem Swam (aktenrs. 75 en 76, scans 38 en 39). Daarin benoemden ze elkaar over en weer tot universeel erfgenaam. Twee jaar later, op 9 maart 1826, werd een publieke verkoop van een aantal schapen gehouden door notaris Swam ten huize van Gerrit Jan Meijlink, tapper in de buurtschap Aane (aktenr. 144, scan 53). Onderwijzer en landbouwer Gerrit Jan Meijlink overleed in 1840, op 44-jarige leeftijd, waarna zijn weduwe bijna twee jaar later trouwde met de dertien jaar jongere Berend Hurink uit Anevelde. Niet lang daarna werd zoon Gerrit Jan geboren, genoemd naar de eerste echtgenoot van Rieka. Het kindje heeft zijn moeder nooit echt gekend, want zij overleed ruim vier maanden na zijn geboorte. Hiermee kwam het Wolbink volledig in handen van Berend Hurink, die het later overdroeg aan zijn zoon Gerrit Jan en zijn vrouw Gerritdina Snel. Dit echtpaar liet in 1883 groot onderhoud aan de boerderij plegen. Dat blijkt onder andere uit een in het huisarchief bewaard gebleven nota voor schilderwerkzaamheden, behangen en glaszetten. Zelfs de kleur van de verf is zodoende nog bekend: loodkleur voor de staldeuren en venstertjes, blauwe verf voor de binnenzijde van de bedsteedeuren, bruin voor de vloer van de kamer en marmer voor de schoorsteunmantel. Dochter Rica Hurink trouwde met Evert Veurink uit Rheeze en zij werden in 1911 door een boedelverdeling de volgende eigenaren en bewoners van het Wolbink.

Rica Veurink-Hurink en dochter bij de boerderij van het erve Wolbink.

De boerderij was in de jaren vijftig van de 20ste eeuw bezit van de gebroeders Gerrit en Luberthus Veurink en hun zusjes Johanna en Gerritdina. Laatstgenoemde trouwde met Gerrit Hendrik Hutten. De ongetrouwde Luberthus Veurink, ook wel Bats van Wolbink genaamd, was de laatste bewoner en eigenaar in lijn. Noaberhulp maakte het mogelijk dat Bats tot op hoge leeftijd zelfstandig kon blijven wonen. Herman en Alie aan het Rot, wonend op het oude erve Hobers schuin tegenover het Wolbink aan de Steeghe, hielpen Bats met verschillende hand- en spandiensten. Herman hielp hem bij het verplaatsen van de beesten, bij het hooien of bij het maken van afrasteringen op het weiland. Alie hielp in de huishouding, maakte er schoon voor zover dat kon en bracht Bats geregeld een pannetje soep. Het was dan ook uit dankbaarheid dat hij notarieel liet vastleggen dat zijn boerderij zou vererven aan het echtpaar Aan het Rot. Na zijn overlijden, in juli 1996, stond het oude bouwwerk bijna anderhalf jaar leeg. Voordat de nieuwe eigenaren er konden gaan wonen, lieten zij het pand intern verbouwen. Een gedeelte van de kalverstal op de deel werd verbouwd tot toilet, washok en douche. Er werd een nieuwe zolder getimmerd en op de bovenverdieping kwam een brandmuur. Voordien was de zolder een grote open ruimte.

De oude houten gebinten en het metselwerk van de achtermuur vertonen sporen die erop wijzen dat de boerderij vroeger waarschijnlijk ook een onderschoer heeft gehad. Dat was een soort portaal vóór de poortachtige hoofdtoegang naar de deel. Tegenwoordig doet de boerderij alleen nog dienst als woonhuis. De deel is verlaten, maar is grotendeels intact gebleven. Een aantal koeien zou zo weer op stal gezet kunnen worden en ook is er nog ruimte voor paarden. De authentieke hakselkisten en voedertroggen zijn er nog…

© ‘Monumenten in de gemeente Hardenberg’, uitgegeven door de Stichting Historische Projecten, 2008.


Zicht op de boerderij en het bakhuis van het voormalige erve Wolbink aan De Steeghe in Ane.

Kadastrale geschiedenis
Het erf was in 1832 geregistreerd in sectie F no. 95 op legger nr. 306. Het oude erf is nu geadresseerd aan De Steeghe 5.

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

In 1863 vond een boedelscheiding plaats van de eigendommen van Gerrit Jan Meilink, waarna sectie F no. 95 verhuisde naar legger 1117/25. De nieuwe eigenaar was Berend Hurink, landbouwer te Ane. Huis, erf met twee schuren werd in 1884 middels successie eigendom van 2614/19, eigendom van Gerrit Jan Hurink en echtgenote Gerritdina Snel. Huisnr. B-43.