’t Waterink of Van Aans

Het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg bevat een akte, gedateerd 1 september 1726. Op die dag registreerde plaatsvervangend schout Arnold Voltelen een borgstelling waarbij Warse Vlierman, Jan Vlierman, Roelof Vlierman en Reinder Harmsen zich inlieten als borgen voor hun zwager, broer en oom Albert Egberts Vlierman, wonend op het erve Van Aans in Ane, voor het huurcontract dat deze was aangegaan met de eigenaar Van der Merwede.

Op 12 december 1768 registreerde de schout van Hardenberg de overdracht van het eerste perceel van het door wijlen freule E.M. Blanckvoort op 17 november 1767 ten overstaande van dit gericht publiekelijk, bij percelen, verkochte erve en goed Waterink of van Aans genaamd, te Ane, door Ernst Jan van der Merwede en Jan Frederik van der Merwede; volgens procuratie van 7 augustus 1768 voor de Scholtus van Wijhe benoemd tot gevolmachtigde van Gerrit Maurits van Hemert, heer tot Krijtenberg,en zijn echtgenote Alerdina Elisabeth Beatrix Gansneb genaamd Tengnagel, alsmede van de freule Anna Judith van Hemert, en Daniel Adolph van Hemert; volgens procuratie van 7 november 1768 voor burgemeesteren, schepenen en raden van de stad Kampen benoemd tot volmachtige van Reinder Willem van Hemert, burgemeester van de stad Kampen; volgens procuratie van 23 juli 1768 voor burgemeesteren, schepenen en raden van de stad Deventer benoemd tot volmachtige van Adriaan Willem van der Merwede; volgens procuratie van 29 juli 1768 voor de Scholtus van Olst benoemd tot volmachtige van Cornelis Pieter, de voogd van Rijneveld Lienten, kolonel ten dienste van dit land, en zijn echtgenoot Ida Lucretia van der Merwede; volgens procuratie van 19 juli 1768 voor de Scholtus van Hardenberg benoemd tot gevolgmachtige van Maurits Willem van den Appell en Adriana van den Appell geboren van der Merwede; alle tesamen erfgenamen van wijlen freule Elisabeth Maria Blanckvoort. Het perceel was verkocht aan Harmen Alberts van Aans, bestaat uit het woonhuis van de meijer (pachter) Albert van Aans en diverse stukken land. De originele akte wordt bewaard in de collectie Meilink in het gemeentearchief Hardenberg.

Op 13 maart 1769 registreerde de schout een schuldbekentenis met hypotheekstelling ten laste van Harmen Alberts van Aans, ten voordele van Rutgerus Mazier, rustend predikant van Gramsbergen en zijn ehevrouw Johanna Hendrina van Dijk. Harmen had 550 Carolyguldens van hen geleend en stelde als onderpand zijn eigendommelijke keuterplaats, bestaande uit het huis met de gooren, een stukje laagland, drie stukken zaailand, een hoekje grond en twee akkers turfveen te Ane. Dit alles behoord hebbende bij het Erve Waterink of te van Aans, gekocht van de wijlen Freule E.M. Blanckvoort op 17 november 1767 en getransporteerd op 12 december 1768.

Verwalter schout G.J. Crull registreerde op 7 november 1794 een akte waarin Berentien Jansen, weduwe van Derk Jansen Schutte (onder assistentie van haar oom Harmen van Naas), verklaarde opnieuw te willen trouwen en wel met Otto Roelofs. Echter voordat ze daartoe kon treden wilde ze eerst behoorlijke erfuittinge doen ten behoeve van haar minderjarige zoon Jan Derks. Ze stelde oom Lambert Schutten en Roelof Passies aan als voogden over haar kind. Vervolgens werden de huwelijkse voorwaarden geregistreerd tussen de weduwe Van Aans en Otto Roelofs. Hun kerkelijk huwelijk werd op 7 december voltrokken.

Notaris Antoni van Riemsdijk hield op donderdag 17 augustus 1820 een openbare verkoop van eenige vijmen in gasten staande rogge, op verzoek van Otto van Aans, op het erve van Aans te Ane (aktenr. 211, scan 197).

In 1812 woonde Jan Derks op ‘t erve van Aans te Ane, zoals blijkt uit een brief in ’t archief van de voorm. gemeente Gramsbergen.

In 1832 was het huis en erf eigendom van schaapherder Otto Derks van Aans te Schoonebeek. Het erf was geregistreerd in sectie F no. 180 op legger nr. 3. 

 

Fragment van oorspronkelijke minuutkaart, anno 1832.

 

In 1865 ging de katerstede van Dirk van Aas en echtgenote Mientjen Thielen middels successie over in handen van (legger 1107, regel 9) zoon Jan Hendrik van Aans, waarna in 1869 de afbraak ervan volgde. In 1870 werd ’t erf verkocht aan Lubbigje Hilberink, de weduwe van Evert Meilink. Zij voegde het perceel samen met het veel grotere en naastgelegen perceel 181, waarna het als landbouwgrond in gebruik werd genomen (perceel sectie F-2090). Het verdwenen erf lag even ten noorden van De Steeghe 12.

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1870.