Toen, op 31 augustus…
Deze foto werd afgedrukt in de editie van 31 augustus 1928 van ‘Van Eigen erf’, het geïllustreerd familieweekblad voor Overijssel en Drenthe.

Deze foto werd afgedrukt in de editie van 31 augustus 1928 van ‘Van Eigen erf’, het geïllustreerd familieweekblad voor Overijssel en Drenthe.

Deze foto werd gemaakt op 30 augustus 1940 ter gelegenheid van de huldiging van een aantal arbeiders van de N.V. Stoomspinnerijen en -weverijen v/h S.J. Spanjaard bij hun 50-, 40 en 25-jarig dienstjubileum.

Op 29 augustus 1929 brak een felle brand uit op de bovenverdieping van het hotel Brok aan de Almeloschestraat in Borne, hetgeen werd gehuurd door dhr. Simonetti. Ook het naastgelegen pand brandde tot de grond toe af.
Deze foto werd afgedrukt in het geïllustreerd familieweekblad voor Overijssel en Drenthe “Van Eigen Erf”. Het toont het afgebrande hotel ‘Brok’ annex kruidenierszaak van de heer Simonetti aan de Almelosestraat in het centrum van Borne.


Op 28 augustus 1865 vond de officiële opening en ingebruikname plaats van de nieuwe stoomweverij en -spinnerij van de firma S.J. Spanjaard. Vele kranten, waaronder het Dagblad van Zuid-Holland, besteedden er aandacht aan…

Kort erna besloot koningin Sophia, echtgenote van koning Willem III, de firma toestemming te verlenen tot het voeren van haar wapen en om de fabriek te noemen: Stoomfabriek Sophia Koningin der Nederlanden.

Op 27 augustus 1947 schreef het Twents dagblad Tubantia dat die ochtend de nieuwe rondweg om Borne officieel was geopend door burgemeester Kaufmann. Hij knipte het lint door dat over de weg was gespannen. Daarna maakte het college van burgemeester en wethouders per auto als eerste een rit over de nieuwe weg die gezien werd als een grote verbetering, omdat het regionale verkeer zich niet meer door de kleine straatjes in de kom van Borne hoefde te wurmen. De aanleg ervan was al gestart in 1939, maar lag tijdens de Tweede Wereldoorlog stil.

Op 26 augustus 1953 woedde een grote brand in de zgn. ruwerij en appreteerderij van de stoomspinnerij en -weverij Spanjaard in Borne; een schade van vele miljoenen…

Op 24 augustus 1919 werd – volgens de kranten – een ‘moordaanslag’ gepleegd op de Bornse veldwachter Dijkslag. Hij werd die dag zwaar mishandeld door Antoon E. en Jan S. uit Borne:
’t Ging op den avond van genoemden dag in ’t café van Alving te Borne, buitengewoon vroolijk toe. De vroolijkheid ontaardde echter in losbandigheid en de caféhouder wilde daarom het gezelschap wel missen, omdat hij vreesde voor wanordelijkheden. De bezoekers wilden echter niet vertrekken, waarom Alving de tusschenkomst inriep van den veldwachter Dijkslag, die hen sommeerde te vertrekken. Jan S. en Antoon E. weigerden aan deze sommatie te voldoen, waarom de veldwachter ze buiten de deur zette. Dat prikkelde de „weerstrevenden”, die onder den invloed van sterken drank verkeerden. „Ga eens ’n eindje mee”, voegden ze Dijkslag toe, „dan zullen we je eens laten zien, wat we in onzen zak hebben”. Dijkslag, die inmiddels assistentie had verkregen van den onbezoldigden rijksveldwachter Te Kiefte, ging niet op de invitatie in. Hij werd echter, buiten aangevallen en ontving ’n steekwonde in z’n hoofd, twee groote sneden over zijn gezicht, en ’n groote snijwonde over den rug. Z’n uniform werd gedeeltelijk verhield.

Deze ‘eerste steen’ werd op 22 augustus 1864 ‘gelegd’ op de bouwplaats van de nieuwe weverij en gasfabriek van de firma S.J. Spanjaard, op een terrein bij Borne aan den weg naar Delden.

– door Anja Tanke –
Tot 1813 hadden Nederlandse jonge mannen de keus of zij het leger in gingen; het leger bestond uitsluitend uit beroepskrachten. In navolging van het Franse model ontstond in 1813 de Nationale Militie. Toen hadden mannen geen keus meer. Mannen uit alle klassen werden gedwongen het vaderland vijf jaar militair bij te staan: de dienstplicht ontstond. Ook bleef het mogelijk op vrijwillige basis in het leger te gaan. Dat kon bij Nationale Militie, maar ook bij een ander legeronderdeel. In twee delen zullen lotgevallen worden beschreven van Bornse mannen in dienst van het vaderland. In deze bijdrage beschrijven we het levensverhaal van Julius Protzmann die tekent bij het Koninklijk Nederlandsch Oost-Indisch Leger.
Van Vriezenveen naar Atjeh
In 1860 wordt in Vriezenveen in de wijk de Pollen Julius Protzmann geboren. Een arm gebied waar de hutten of kleine huizen op hoogten (pollen) gebouwd werden. Julius is van beroep landbouwer/arbeider. In 1878 wordt hij in Vriezenveen ingeschreven in het militieregister voor het lichtingsjaar 1880. Dat betekent dat hij in 1880 ingelijfd zou worden bij de Nationale Militie en vijf jaar dienstplicht vol moest maken. Maar Julius had oudere (half)broers en werd daarom vrijgesteld wegens broederdienst.

Tussen 1880 en 1890 werd Nederland getroffen door de landbouwcrisis die grote armoede bracht in de steden en op het platteland. Het waren dus slechte tijden. Misschien besluit Julius daarom in het leger te gaan. Op 17 mei 1882 tekent hij een contract met een duur van zes jaar bij het eerste regiment huzaren en ontvangt direct ƒ 60,– premie. In mei 1882 vertrekt hij vanuit Vriezenveen naar de kazerne in Amersfoort en vervolgens naar Deventer. Vanaf 1873 waren ten gevolge van de Atjeh oorlog veel mannen nodig. Om soldaten aan te moedigen zich als koloniaal soldaat te laten uitzenden, kregen zij een deel van het traktement vooruit betaald en hadden recht op een levenslang pensioen. Voor veel mannen een aantrekkelijk bedrag waarbij men de risico’s die een bestaan als koloniaal met zich meebracht, voor lief nam.
Op 8 mei 1883 tekent Julius bij het Koninklijk Nederlandsch Oost-indisch Leger (K.N.I.L.). als cavalerist 2e klasse. Werving van deze soldaten liep via het koloniaal werfdepot in Harderwijk. Julius ontving op de dag van inscheping ƒ 300,– premie met aftrek van het bedrag dat hij een jaar eerder bij de huzaren had ontvangen. Van iedere koloniaal werd in het zogenaamde stamboek bijgehouden hoe het hem verging. Naast de persoonsgegevens worden het signalement, in- en uitdiensttreding, rang, veldtochten, ‘uitstekende daden’ en verwondingen geregistreerd. Met behulp van het stamboek volgen we Julius’ spoor.

Op 4 juli 1883 begon de grote reis naar Indië. Julius scheepte in Amsterdam in op het stoomschip Madura. Op 15 augustus komt het schip aan in Batavia. Hij gaat daar een ongewisse toekomst tegemoet in een land met een ander klimaat, andere gewoonten, onbekende ziekten en een voor hem totaal onbekende vijand. Soldaten waren slecht toegerust voor hun taak en het uniform was ongeschikt voor het klimaat. In Batavia wordt Julius geplaatst bij het regiment cavalerie. Over 1884 en 1885 staat in het stamboek vermeld: krijgsverrichtingen tegen Atjeh. Wat voor verrichtingen dat zijn wordt niet nader vermeld. Op 13 januari 1885 werd in het verslag van de civiel- en militair gouverneur het volgende genoteerd: Heden werden de posten van Djerir tot en met Lepongara opgeheven. In het geheel leden wij daarbij een verlies van twee gesneuvelden en dertien gewonden.
Deze posten werden opgeheven, omdat de regering had besloten een gesloten postenlinie aan te leggen die de hoofdvestiging Kota Radja moest omgeven. Djerir en Lepongara vielen buiten deze linie. De afvoertransporten kregen echter te maken met aanvallen en daarom werden sterkere dekkingstroepen ingezet. De transporten en de dekkingsgroepen werden vooral beschoten tussen de plaatsen Rahat en Lepongara. Julius maakte deel uit van de dekkingstroepen en hij is een van de dertien gewonden. Hij werd getroffen door een schot in de rug. In het stamboek wordt daarover het volgende geschreven: Belangrijke belemmering in de beweging van het rechter bovenlid na schot in den rug met nablijvende onderlinge vergroeiing der rechter rug- en schouder-bladspieren. Verwonding ontstaan in en door den dienst. Mist het noodzakelijk gebruik van het rechter bovenlid.
Ten gevolge van zijn verwonding wordt Julius permanent ongeschikt verklaard voor militaire dienst. Op 1 augustus 1885 vertrekt hij vanuit Padang met het stoomschip Prins Hendrik naar Nederland. Het schip kwam op 14 september in Amsterdam aan. Julius ontvangt zijn certificaat van goed gedrag, een medaille en een levenslang pensioen van ƒ 400,- per jaar. Hij heeft wel een souvenir meegenomen in de vorm van een kogel onder zijn rechter schouderblad. Het lukte de artsen in Indië niet deze te verwijderen. Julius loopt er jaren mee rond en uiteindelijk wordt de kogel in 1895 operatief verwijderd. Destijds was dat voor het Utrechts Nieuwsblad bijzonder genoeg om er een artikel aan te wijden, want veel mannen overleefden een dergelijke verwonding niet.



Van Atjeh naar Borne
Julius keert terug naar de kazerne in Harderwijk. In 1886 trouwt hij daar met Catharina Gokken. Op 17 februari 1888 komt hij met vrouw en kind in Borne. Het gezin betrekt een huurwoning van zijn werkgever Spanjaard aan de Deldensestraat 30. Julius gaat als glanzer en later als kalanderaar aan de slag. Bij het glanzen wordt het doek, voordat het voor de eerste keer onder de pers komt, bevochtigd met (gom)water. Kalanders werden gebruikt om geweven lappen stof soepel en minder ruw te maken. De stoffen worden tussen de walsen gevoerd om ze een afgewerkt en glad oppervlak te geven. Het proces maakt de vezels vlak en verwijdert oneffenheden en geeft bovendien een glans aan het oppervlak. Kennelijk was Julius in staat, ondanks zijn beperking, zijn werk goed uit te voeren. Tot zijn pensioen heeft hij bij Spanjaard gewerkt.
Julius en Catharina blijven in Borne en samen krijgen ze in het kleine huisje aan de Deldensestraat nog 10 kinderen:
1. Johan Heinrich Jurrien Julius, geb. Harderwijk 31-01-1887, ovl. Borne 27-04-1888.
2. Johan Heinrich Jurrien Julius, geb. Borne 02-01-1889.
3. Carel, geb. Borne 22-04-1890, ovl. Borne 27-10-1890.
4. Cato, geb. Borne 15-08-1891.
5. Johanna Maria, geb. Borne 14-11-1893.
6. Karel, geb. Borne 01-01-1896.
7. Hendrika, geb Borne 05-12-1897.
8. Jacob, geb. Borne 22-10-1899.
9. Bertha, geb. Borne 07-10-1901.
10. Anna Hendrika, geb. Borne 10-07-1905.
11. Jan, geb. Borne 28-10-1907, ovl. Borne 14-10-1918.
De woningen aan de zogenaamde rode lap stonden op diepe kavels en daar lag ook de moestuin, waar hij, naast de lange werkweek bij Spanjaard menig uurtje zal hebben doorgebracht. Daarnaast had Julius een vergunning voor een hondenkar. Mogelijk heeft hij nog een bijverdienste gehad waar hij de hondenkar voor gebruikte. Zijn kleinzoon, ook een Julius Protzmann, vertelt dat zijn grootvader bij Spanjaard ƒ 8,– per week verdiende. Tezamen met het pensioen, ook zo’n ƒ 8,– per week, had het gezin het goed vergeleken met andere arbeidersgezinnen. Rond 1920 kocht Julius zelfs een motor. Deze motor had kenteken E7031. Zonder zijn pensioen had hij een dergelijke uitgave nooit kunnen bekostigen. Zijn kleindochter, mevrouw C. Ten Napel-Evers, vertelt dat hij de eerste motorrijder in Borne was.

Op familiebezoek
In een brief vertelt een Vriezenveense neef dat Julius maandelijks, meestal op zondag, samen met zijn zoon Jacob de Vriezenveense familie bezocht. En altijd toverde hij voor de kinderen uit zijn jas wat lekkers tevoorschijn. De motor moet een Harley Davidson of een Indian zijn geweest. Ze dronken dan eerst koffie met zogenaamde beschute, gingen gezamenlijk naar de kerk en na het middageten vertrokken ze weer naar Borne. Julius en Jacob waren voor de motortochten eender gekleed in een leren jekker met een zogenaamde leren vliegeniershelm en grote stofbril. Niet alleen in Borne had hij veel bekijks met zijn motor, maar ook in Vriezenveen waar in die jaren de zondagsrust streng in ere werd gehouden.

Moeder Protzmann-Gokken ging ook wel op familiebezoek in Vriezenveen, maar zij ging met de trein en werd met de boerenwagen afgehaald. Ze bleef dan meerdere dagen. Ieder jaar bestelde Julius bij de Vriezenveense familieleden de wintervoorraad aardappels voor zichzelf en voor de gezinnen van zijn kinderen. Met een grote boerenwagen werd de lading door familieleden op een zaterdag in de herfst naar Borne gebracht.
Aan het eind van hun leven hadden Julius en Catharina extra zorg nodig. Inmiddels was dochter Hendrika getrouwd met Marinus Evers. Zij kwam met haar gezin terug naar het ouderlijk huis om de zorg voor haar ouders op zich te nemen. Julius Protzmann overleed in 1928, zijn vrouw in 1930.