Eggengoor

Op 7 september 1772 werd door de schout de overdracht geregistreerd van het erve Bouwhuis te Den Velde, het erve Eggengoor te Holtheme, een stuk van tien en een stuk van zes schepel land op de Holthemer Es, het Demesgooren, het aandeel Boekriemptysplaats, het Spijk of Vosmaate, de Hoge Maate, alle te Holtheme gelegen, door J.M. van Kirberin, gevolmachtigde van de Joachim Baron van Bentinck tot Wolda, luid kwalificatie hiervoor ten protocol geregistreerd, aan C.W.J. Baron van Coeverden tot den Doorn. Bovengemelde gevolmachtigde neemt hierbij over een somma van 4000 guldens met verschuldigde rente die toekomt aan de erfgenamen Van Muijden, en een somma van 700 guldens die toekomt aan Gerrit Kwant, welke voornoemde twee capitalen in gemelde goederen zijn gevestigd. De Joodse koopman Isaac Moses, waarbij de hypotheek van deze goederen berust, verklaart de voorstaande goederen uit het arrest te ontslaan.

In het contentieus rechterlijk archief van ’t voormalige Schoutambt Hardenberg is deze akte bewaard, gedateerd 19 maart 1776, geschreven door verwalter Scholtus Jacobus van Riemsdijk, met keurnoten burgemeester B. van Borne en pr. J. van Riemsdijk. Verschenen is Roelof Egberts, meijer op ’t erve Eggengoor tot Holtheme, voordragende dat vermids zijn landheer de heer baron van Coeverden tot den Doorn heeft goedgevonden op gisteren pandinge te laten doen op de mobile goederen, welke sijn geïnventariseerd. Hij comparant derhalven tot voorkominge van verdere kosten is te rade geworden om voor sigselvs en nomine uxoris, ten profite van sijn voornoemde landheer voor de gemelte verschenen pagten, te passeren vrijwillige condemnatie en verwin over alle sijne voorschreven mobilaire goederen.

Roelof Egberts uit Baalder was op 7 juni 1749 te Hardenberg in ondertrouw gegaan met Anna Eggengoor uit Holtheme. Zij was een dochter van Gerrit Eggengoor en Swaane Gerrits.

In het vrijwillig rechterlijk archief van ’t Schoutambt Hardenberg vinden we vervolgens deze hypotheekakte, gedateerd 11 november 1785:
Ik J.G. Pruim, van weegens hoger overheid verw. Scholtus des kerspels Hardenbergh cum annexis doe kond en certificere: dat voor mij en keurnooten, die waren M. pruim en Jan Derksz Zweers, persoonlijk in den gerichte gecompareerd zijn Lucas Roelofs, woonächtig te Holtheme, en deszelfs huisvrouw Geertjen Everds, tutore marito, dewelken verklaaden wegens opgenomen en bij hun ter leen ontvangene penningen, oprecht en deugdlijk schuldig te zijn aan de heer Lambertus Rietberg en deszelfs ehevrouw Geziena Margaretha Mazier, woonächtig te Zwolle, eene capitaale summa van f. 2200, zegge tweeduizend tweehonderd guldens, met aanneming en belofte om dezelve capitaale summa ’s jaarlijksch en alle jaaren tot de effective aflosse en restitutie der penningen toe te zullen verrenten met vier gelijke guldens van yder honderd; doch de interesse binnen een maand na den verschijndag betalende, dan maar met drie en een half pro cento; zullende het eerste jaar interesse hiervan verschenen zijn op den 18 julij 1700 zesentachtig en zoo vervolgens van jaar tot jaar tot de aflosse continueren. En opdat gemelde renthefferen voor haar uitgedaane capitaal en de daarop te verlopene renten de vereischtte zekerheid moge hebben, zoo verklaarden zij comparanten onder renuntiatie van alle exceptien dezen eenigzins contrariërende, en in specie die van onaangetelden gelde, bij dezen daarvoor niet alleen tot een generaal verband te verbinden hunne persoonen en goederen, maar ook tot een speciaal hijpotheecq en onderpand te stellen hun comparanten eigendomlijken hoek lands, genaamd de Haake, gelegen t’eindens Meiling gaarden te Holtheme in dit Schoutampt, en groot omtrent vier mudden lands; en zulks behalven zoodanig erve en goed genaamd het Eggen-Goor en mede te Holtheme in dit schoutampt gelegen, zijnde lheenhorig aan de Lheenkamere des huizes Werkeren, en door hen bij publijcque verkoopinge ten overstaan van dezen ed. gerichte op den 21 augustij 1782 van Harmen Bruggeman aangekocht, als zij, voor opgemelde capitaal van tweeduizend en tweehonderd guldens en de daarop te verlopene renten, na ontvange beleeninge etc. mede voornemens zijn ten behoeven van de renthefferen te verhijpothequeren; en ten einde dezelve renthefferen zich aan voorz. hoek lands voor het geene ‘er aan het opgemelde lheengoed het Eggen-Goor onvermoedelijk in cas van executie zoude kunnen tekort komen, bij weeromeisching of onvermoedelijke wanbetaling, van voorz. capitaal als de daarop als dan verschenen renten, zoo voor capitaal als renten kost- en schadeloos zullen kunnen en mogen verhalen. Des ten oirkonde hebbe ik verw. Scholtus voornoemd, deze benevens de comparanten getekend, met mijn zegel bekrachtigd, en ze voorts ook voor de comparanten, omdat dezelve geene zegels en hadden, op derzelver verzoek met mijn kleine zegel gezegeld. Actum Hardenbergh den 11 november 1700 vijfentachtig.

In de kantlijn van bovenstaande obligatie staat dat het op 27 mei 1797 op verzoek van Lucas Roelofs werd geroyeerd nadat het volledige geleende bedrag, plus de rente, was terugbetaald.

In 1832 was het huis en erf eigendom van landbouwer Albert Eggengoor. We vinden het erf, gelegen aan de zgn. Broeksteeg, gesitueerd in de ‘Kloostersche Maaten’ in sectie D no. 1030 op legger nr. 109. Het erfje bestaat niet meer. Het lag ten noorden van de huidige Doorbraakweg, tussen de Bongerstege en de Rondweg.

 

 

109/6: Huis en erf. In 1853 verkoop. Over op:
960/6: Eigendom van Albert Jan Eggengoor. In 1869 verkoop. Over op:
1641/6: Eigendom van Derk Jan Leemgraven (zie register van overschrijving, deel 23, nr. 1244). In 1869 afbraak. Over op:
1641/14: Nieuwe sectie D-1802. Bouwland.

 

Fragment van kadastrale hulpkaart, anno 1869. De boerderij op ’t Eggengoor is afgebroken…