De grote brand van Gramsbergen.

1107_brand

Op 7 november 1777, drie dagen na de grote brand van Gramsbergen, waarbij het stadje bijna volledig in de as werd gelegd, kwam het stadsbestuur van Hardenberg bijeen om de brandvoorschriften aan te scherpen.
“Burgemeesteren, schepenen en raaden der Stad Hardenbergh, allen burgeren en ingezetenen van voorz(eide) onze stad, salut; doen te weten:
Alzoo wij met droefheid bevinden, dat, niettegenstaande, de ernstige hier te voren daar tegen geëmaneerde resolutiën en ordonnantiën, op eene zeer ligtveerdige wijze, met allerlei brand-stoffen word omgesprongen; waardoor ligtelijk gezeide onze stad, door een ongelukkige brand in een puinhoop konde veränderen; gelijk voor eenige dagen dat allerdroevigst ongeluk, de ingezetenen van ’t naburig steedjen Gramsbergen getroffen heeft. Zoo is ’t dat wij daarin zoveel mogelijk willende voorzien, hebben goedgevonden te ordonneren en te statuëren, zulks doende bij dezen.
Dat niemand, wie hij ook zij, binnen deze stad woonächtig des avonds of des nachts op zijne zolders, deelen of stallen met eene lampe of kaarsse, zonder dat dezelve lampe of kaarsse in eene wel toegemaakte lantaarne geplaatst zij, zal mogen gaan of komen; gelijk ook niemand zulks zal mogen doen met eene brandende tabaks-pijp, zonder dat dezelve met een blikken of koperen hoedjen of dopjen behoorlijk gedekt zij.
Dat niemand, des avonds zal mogen te bed gaan zonder zijn vuur alvorens met eene panne of stolpe behoorlijk te hebben toegedekt.
Dat niemand eenige drooge assche uit zijnen huize zal mogen brengen, neen maar dezelve bevorens zal hebben nat te maken en uit te doven.
Dat niemand eenige hoopen turf, hout etc. zal mogen leggen om daar bij continuatie te blijven, in het gemak waarin hij stookt.
Dat niemand zal moogen dorschen in het vertrek waarin hij stookt, noch daarin ook eenig stroo of vlas zal mogen brengen.
Dat niemand zal mogen dorschen bij eene brandende lamp of kaarsse, zonder dat dezelve in een lantaarne geplaatst zij, of met eene brandende tabaks-pijp.
Dat niemand, het vuur uitgedooft zijnde en zulks bij zijn naburen willende wederhalen, zulks zal mogen doen, zonder hetzelve in eene wel toegemaakte stove geplaatst te hebben.
Alles buiten en behalven de boetens op sommige poincten bevorens reeds gezet, op de boete van twee goudguldens.
Dat ook niemand over straat zal mogen tabak roken, zonder zijne pijp met een blikken of koperen hoedjen toegedekt te hebben, op een boete van zes stuivers.
Dat een yder huisgezin zich binnen den tijd van 14 dagen na publicatie dezes, zal hebben te voorzien van eene goede wel toegemaakte lantaarne; te weten die geene die dezelven thans noch niet mogten hebben; op de boete van eenen goudgulden: zullende die geene die van de diaconie leven dezelve pro deo bezorgt worden.
Meer over de vernietigende brand van Gramsbergen, lees je op onze website:
http://www.historischeprojecten.nl/geheugenvanhardenberg/toen-op-13-november-vernietigende-brand-in-gramsbergen/:

1107_brand2
1107_brand3
1107_brand4
1107_brand5

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *